Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Ede Abraham Zeilinga (1848-1918) Collectie Wim Zeilinga.

Ziedaar een naam, die op sportgebied klinkt als een klok. Welke watersporter, welke vlieger, welke enthousiast op concours hippique heeft niet van deze firma gehoord, het huis Zeilinga, specialiteit in zeilen, doch in groote sporttenten bovenal?

Het citaat hierboven is de aanhef van een artikeltje in de Revue der Sporten uit 1916. Het geeft aan dat de firma F. Zeilinga lange tijd een bekend bedrijf was. De naam Zeilinga gaat terug tot op de achttiende eeuw. Toen leefde er een zeemans- en zeilmakersgeslacht op Schiermonnikoog dat zich ging noemen naar haar beroep: zeilmakers.

De Zeilinga’s gingen ten slotte de hele wereld over, maar er bleven er ook altijd op Schiermonnikoog. Een groep vestigde zich begin negentiende eeuw in Nieuwendam, aan het Amsterdamse IJ, tegenwoordig Amsterdam-Noord. Dat gebeurde toen Ede Abrahams Zeilinga (1783- 1853) met zijn hele gezin verhuisde. Zijn zeilmakerij in Nieuwendam werd later voortgezet door zijn zoon Jacob en daarna door Jacobs zoon Feye. In 1936 werd de zeilmakerij verkocht.

Abrahams’ oudste zoon Feije stak in 1836 echter het IJ over en begon daar ook zeilmakerij, aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam. Die werd voortgezet door zijn familie en zou bestaan tot 1934 en in gewijzigde vorm tot het jaar 2000.

Centraal

In dit artikel gaat de aandacht uit naar Ede Abraham Zeilinga (Amsterdam 1848, Groningen 1918), kleinzoon van voorgenoemde Abraham Ede, die dus dezelfde namen had als zijn opa. Hij voer in 1865 mee op de schoener Piet Hein van mijn betovergrootvader Aldert Meijer en maakte er een bijzonder reisverslag van.

Dit artikel is een eerste concept van een hoofdstuk van een boek waarin het reisverslag en de geschiedenis van de Piet Hein centraal staan. Jan Jurgen Zeilinga (1841-1901) De oudere broer van Ede, zette de zeilmakerij van hun vader in Amsterdam voort. Ede zelf dreef Ede tussen 1862 en 1879 een zeilmakerij van de familiefirma in Groningen, een zeilmakerij Zeilinga aan de Noorderhaven. Daarna woonde hij korte tijd weer in Amsterdam. Vervolgens keerde hij echter weer terug naar Groningen om er deel uit te maken van de wijnhandel Bulthuis & Zoon in Groningen, met de familie van zijn vrouw Wilhelmina Bulthuis.

De Piet Hein II, Gezagvoerder A. Meijer, in 1869 door Jacob Spin

Voorgeschiedenis

“Een boek of artikel over de zeilmakerijen in Groningen? Nee, dat bestaat niet zover ik weet.” Eén telefoontje naar het Noordelijk Scheepvaartmuseum helpt me uit de illusie dat ik gemakkelijk informatie kan vinden over de zeilmakerij Zeilinga aan de Noorderhaven in Groningen. Zeilmakers worden – in tegenstelling tot schepen, scheepswerven en gezagvoerders – door de geschiedschrijving kennelijk niet interessant gevonden. Zeilmakers waren heel gewone mensen van weinig aanzien, die weinig sporen in de geschiedenis hebben nagelaten. Het vak was een ambacht dat niet uit boeken werd geleerd maar vooral van vader op zoon overging. Zeilmakerijen waren vrij onopvallende werkplaatsen. Met het ontwikkelen van de zeilvaart werden ook de zeilen moderner. Het vakmanschap van de zeilmakers was lange tijd van essentieel belang voor de ontwikkeling van de scheepvaart maar er is weinig of niets over op schrift vastgelegd.

Piet Hein I ,1856. Gezagvoerder A. Meijer. Schilderij door Jacob Spin. Ede voer mee op dit schip in 1865.

In 1865 stapt de toen zeventienjarige Ede Abraham Zeilinga aan boord van de Piet Hein (I,Meijer voer op twee gelijknamige schepen). Gezagvoerder Kapitein Meijer is Edes oom, en mijn betovergrootvader. Ede vaart een keer met hem mee naar Sint Petersburg, een vaste bestemming van de Piet Hein. Aan boord schrijft hij een reisverslag dat een bijzonder inkijkje geeft in de zeilvaart op de Oostzee. Uit het verslag blijkt dat hij vaak naar boven kijk: de zeilen hebben zijn bijzondere aandacht.

Een jaar nadat Ede terugkomt in zijn geboorteplaats Amsterdam, verhuist hij naar Groningen. Daar runt hij met hulp van zijn oudere broer Jan Jurgen een zeilmakerij aan de Noorderhaven. Strikt genomen is het reisverslag goed te lezen zonder iets over de schrijver ervan te weten. Maar toch wil je als historicus meer weten van de context.
Dit is een beschrijving van het leven van Ede Abraham Zeilinga, die hoofdzakelijk is opgebouwd rond jaartallen en dergelijke. Tegelijkertijd is het een beschrijving van een familie en tweehonderd jaar zeilmakerij Zeilinga geworden. Een gewone familie van gewone Nederlanders in een snel veranderende tijd. Archieven van de zeilmakerij zijn er helaas niet. Ook verder zijn de gegevens schaars. Toch is dit onderzoek uitgegroeid tot een heel verhaal. Laat ik beginnen bij het begin.

Schiermonnikoog

Zeilmakerij op Schiermonnikoog. Collectie Wim Zeilinga

Waar komt de naam Zeilinga vandaan? De oudste vermelding van een Zeilinga is die van Derk Zeilinga, geboren rond 1645 op Schiermonnikoog. Zijn naam wijst er op dat hij waarschijnlijk al zeilmaker was. Van zijn zoon Paulus Derks Zeilinga is dat gedocumenteerd. Diens zoon Ede Paulus Zeilinga (1696- 1776) zet het beroep voort. Zijn dochter Fennegien Edes Zeilinga (1736- 1815) trouwt met een burgemeester van Schiermonnikoog, Jeppe Pytters Carst. Diens zoon Abraham Edes Zeilinga (1749 – 1809) wordt ook burgemeester.

Burgemeester is in die tijd in een kleine gemeenschap zoals Schiermonnikoog een bijbaan, een erebaan. Toch duidt het op een zekere welstand en aanzien. Dat een zeilmaker burgemeester wordt is trouwens ook erg praktisch. Bijna iedereen die kan werken op het eiland gaat de zee op, soms als visser, maar meestal als zeeman of zelfs kapitein., terwijl het wel handig is, als de burgemeester permanent op het eiland aanwezig is. Schiermonnikoog leeft van de zee. Rond 1800 is dat moeilijk. De Franse bezetting maakt het moeilijk te handelen en een tijdlang verbiedt het continentale stelsel van Napoleon alle handel op Engeland. En de kustvisserij is moeilijker geworden door overbevissing.

Volgens de genealoog van de familie was burgemeester Abraham Edes inderdaad een man van aanzien. Hij had een behoorlijke zeilmakerij, was koopman en ook nog eens president van de rechtbank. Bovendien was hij een grote geldschieter voor de eilanders, iets dat hem waarschijnlijk geen windeieren legde.

De namen Abraham en Ede(s) blijven in de familie Zeilinga voorkomen, met een grote hardnekkigheid. Veel van de kinderen die de naam krijgen leven slechts kort. Maar doordat er zoveel kinderen deze namen krijgen, zijn er vaak meerdere personen tegelijkertijd in leven die Abraham Edes Zeilinga, of Ede Abraham Zeilinga heten. Dat maakt een geschiedschrijving als deze soms moeilijk.

De burgemeester Abraham Edes Zeilinga waar we het nu over hebben, heeft zijn best gedaan. Hij is maar liefst vier keer getrouwd. Zijn eerste twee huwelijken lijken kinderloos te zijn gebleven. Zijn derde huwelijk is met Neeltje Jacobs Meijer, de zus van ‘mijn kapitein,’ Aldert Jacobs Meijer. Ze krijgen vijf kinderen. Nadat Neeltje overlijdt, worden er uit een vierde huwelijk nog eens vier kinderen geboren.

Abraham Edes Zeilinga en Lollina Feijes Borst. Collectie Wim Zeilinga

Voor ons is Neeltjes tweede zoon belangrijk: Ede Abrahams Zeilinga (1753- 1853), de man die naar Nieuwendam verhuist. Hij trouwt in 1808 met Lollina Feyes Borst, en verhuist van Schiermonnikoog.
Zijn broer Haike Abrahams Zeilinga (1790 – 1861) zet de zeilmakerij op Schiermonnikoog voort. Haike wordt niet alleen ook burgemeester maar tevens de man die de roeireddingsboot op Schiermonnikoog invoert.

Zeilingahuis aan de Langestreek. foto: Marco in ‘t Veldt

Met twee families wonen Haike en Abraham geruimte tijd naast elkaar aan de Langestreek in het dorp, met uitzicht op de kerk. Ze wonen er in een dubbel woonhuis dat ook nu nog bestaat. Als je er voor staat: links Haike, rechts zijn broer Ede, Lollina en familie. Ook als Haike en Ede er al lang niet meer zijn, blijkt het huis in het bezit van de familie Zeilinga. Het heeft later onder andere nog gediend als Pension van de ‘Dames Zeilinga.’

Nieuwendam

Gezicht op de haven van Nieuwendam met veerboot.

Ede groeide zonder twijfel op in het zeilmakersvak van zijn vader en zal het in de praktijk hebben geleerd. Ook was hij een man van enige ontwikkeling, die bijvoorbeeld boeken kocht. Uit de voorinschrijving van het ‘Geschiedkundig tafereel van den watervloed en de overstroomingen in Vriesland’ blijkt bijvoorbeeld dat Ede een exemplaar van het boek kocht.

Abrahams Edes en Lollina hebben echter meer ambities en maken een grote stap: zij verhuizen van het eiland af, richting Amsterdam. Dat gaat echter niet zomaar. De twee trouwen eerst in het Friese Peasens, waar Lollina geboren is en woont. Een goede gok: de twee hebben elkaar leren kennen via Ede’s familie in Peasens. Al sinds minstens 1716 woont er namelijk een tak van de familie Zeilinga in het vissersdorp Peasens. Maar het hoeft niet zo te zijn gegaan, want ook de familie Borst komt van Schiermonnikoog. Haar vader Feye Teensen Borst heeft zich er als koopman gevestigd toen hij er zijn eerste vrouw ontmoet. Als hij na haar dood opnieuw trouwt, is het weer met een dame van Schier, die zich bij hem in Peasens vestigt.

Direct na hun huwelijk wonen Ede en Neeltje nog een tijd op Schiermonnikoog, waar ze elf kinderen krijgen, tussen 1809 en 1829. Twee daarvan sterven als baby, negen halen de volwassen leeftijd.
Dan maakt het echtpaar een grote stap: het verhuist van Schiermonnikoog naar Nieuwendam. Naar de reden en het exacte tijdstip moeten we raden, omdat de gemeenten in die tijd nog geen bevolkingsregistratie bijhielden en ik er verder geen documenten over kan vinden. De geboorte van hun laatste kind in 1829 vond nog plaats op Schier. Het huwelijk van hun oudste dochter Neeltje vindt plaats in Nieuwendam in 1833. De verhuizing moet dus ergens tussen 1829 en 1833 hebben plaatsgevonden.

Iets over Nieuwendam

Ansichtkaart van Nieuwendam. Achter de kinderen ligt het huis van de zeilmakerij Zeilinga.

Situatie tegenwoordig. Met nog links hetzelfde postkantoor, maar daarachter nieuwbouw. Foto: Marco in ‘t Veldt

Nieuwendam ontstond ooit na een ernstige dijkdoorbraak in 1516. Na de doorbraak legde men een nieuwe dijk aan met een sluis er in, de Waterlandse Zeedijk, die later de Nieuwendammerdijk ging heten. Zoals dat in die tijd rond sluizen en bruggen ging, ontstond er al snel een dorpje omheen. Nog altijd vormen de sluis en het café er naast het centrale punt in het dorp.  Nieuwendam werd al snel een voor die tijd erg industriële omgeving. Het dorp had bijvoorbeeld acht windmolens, waaronder diverse zaagmolens. Er werd hout voor de scheepsbouw gezaagd. Men leefde er veelal van de scheepvaart.

Nieuwendam was bij bij westen- of noordenwind een veiligere – en goedkopere – ankerplaats voor grote zeilschepen dan de Amsterdamse haven. Daarom vonden ook winkeliers er klanten. In het dorp werden nog tot ver in de 20ste eeuw schepen gebouwd, zoals bij de werf Het Fort van de firma De Vries Lentsch, gespecialiseerd in de bouw van sloepen en plezierjachten. Als je vroeger op de dijk bij het sluisje stond, zag je aan de ene kant de eindeloze polders van Waterland en aan de andere kant het open IJ met zijn vele schepen. In 1921 werd het toen sterk verarmde Nieuwendam door Amsterdam geannexeerd.

Er zijn goede redenen te bedenken als reden voor de verhuizing. De Nederlandse scheepsvaart en –bouw trekt aan en Amsterdam is daarbij het economische centrum, terwijl Schiermonnikoog verarmd. Het is van oudsher een machtige stad en zoals altijd wordt het bevoordeeld door de landelijke regering. Als havenstad is het echter weinig geschikt. Het IJ waaraan de stad ligt, raakt dichtgeslibd. Voor de haven ligt een grote zandbank die de toegang tot de haven haast afsluit: Pampus. Havens als Vlissingen en Harlingen liggen veel gunstiger, vanuit de zeilvaart gezien.

Toch heeft Amsterdam een grote aanzuigende werking op iedereen die met handel en schepen te maken heeft. Met Schiermonnikoog gaat het daardoor juist slechter. Het zijn vooral kapiteins die wegtrekken naar Amsterdam. De armeren blijven achter op het eiland. Op den duur dreigt Schiermonnikoog daardoor te verarmen.

De kapiteins trekken weg omdat de schepen groter worden. Steeds minder varen ze op de platbodems die je op het Wad kunt laten droogvallen. Voor de nieuwere schepen heb je een echte haven nodig, en havens zijn te vinden in Amsterdam, of daar tegenover, in Nieuwendam. Eén zeilmakerij op Schiermonnikoog is daardoor wel genoeg. Het lijkt logisch als de oudere broer die voortzet en de jongere vertrekt, maar hier gebeurt het andersom. Haike werkt verder op Schiermonnikoog, Ede vertrekt. Naar de reden kunnen we raden. Ambitie? Avontuur? Connecties?

Volksverhuizing

Wat er in ieder geval gebeurt: Ede zet een kleine volksverhuizing in gang. Niet alleen hij, zijn vrouw en hun negen kinderen vertrekken. Nee, ook de (aanstaande) partners van zijn kinderen volgen. Later komen er nog meer – vaak oudere – mensen over van Schiermonnikoog. Oudedagsvoorzieningen bestaan niet, dus worden ouderen bij familie opgevangen als ze niet meer in hun eigen bestaan kunnen voorzien.

We kunnen ons de reis van Schiermonnikoog naar Amsterdam wel ongeveer voorstellen. Die is zonder twijfel per schip gegaan, van familie of vrienden. Vanaf Schiermonnikoog over de Zuiderzee, zo het IJ op. Mensen, huisraad en dieren moeten allemaal aan boord van een schip zijn gehesen. De eindbestemming van de verhuizing is echter niet Amsterdam, maar Nieuwendam, tegenwoordig deel van Amsterdam-Noord. Het dijkdorpje ligt tegenover Amsterdam. Het huidige treinstation blokkeert dan nog niet Amsterdams toegang tot de zee, zodat de stad nog een open havenfront heeft. In Nieuwendam speelt zich een deel van het haven. Bovendien is de haven van Nieuwendam vaak beter te bereiken dan die van Amsterdam.

Nieuwendam is veel kleiner en overzichtelijker dan de grote stad. Er wonen slechts ongeveer duizend mensen, net zoveel als op Schiermonnikoog. Dat moet aantrekkelijk zijn geweest voor de mensen van Schier, die een overzichtelijke samenleving gewend waren. Er gaan veel kapiteins op de dijk wonen, die daarom wel de Kapiteinshemel wordt genoemd. De houten huizen worden als het ware om de dijk heen gebouwd en kijken uit er over het water van het IJ. Je ziet er alle schepen voorbij komen, zoals in 1865 de Piet Hein met aan boord kapitein Meijer en de zeventienjarige passagier Ede Abraham Zeilinga.

Zeilmakerij Zeilinga in Nieuwendam was gevestigd in/achter het hoge huis met het puntdak. Collectie Wim Zeilinga.

Op de plek waar later het postkantoor van Nieuwendam wordt gebouwd, wordt een zeilmakerij gestart. Het latere nummer van de huizen is Nieuwendammerdijk 353 en 353a. Het gaat om twee ruime kavels, met daarachter nog een stuk ‘rietland.’ Het echtpaar betrekt een groot houten huis met een puntdak, dat later tevens als winkeltje zal worden gebruikt, als Ede te oud wordt om als zeilmaker te werken. De zeilmakerij zelf ligt er achter. Er hoort een flink stuk land bij. Dat zal ongetwijfeld nodig zijn geweest voor het uitspreiden van de zeilen. Die worden – net als de schepen – steeds groter.

 

Lollina Feijes Borst (Zeilinga).

Van het echtpaar Ede Abraham en Lollina zijn twee bij elkaar horende portretten bewaard. Daarvan zijn meerdere exemplaren van bekend, één in de familie, en één in museumbezit. Wie goed kijkt ziet meteen dat er iets geks met de portretten aan de hand is. Ze zijn gemaakt door de destijds bekende Amsterdamse fotograaf Albert Greiner. Deze opende zijn fotostudio in Amsterdam in 1862 aan de Nieuwendijk. Toen waren Ede en Lollina al geruime tijd dood. Wat we zien zijn dan ook geschilderde portretten die zijn gefotografeerd. De originelen van de schilderijen bestaan kennelijk ook nog. Ze zijn in familiebezit (waar????)

Ze tonen ons een voorname heer en dame. Hij heeft een zware jas met een witte das aan. Zij heeft opvallend kleurige Friese klederdracht aan met oorijzers, een muts, een zware halsketting met daarover een halsdoek. Dat alles is een stuk kleuriger dan de klederdracht die je meestal ziet. Het lijkt voor de hand liggend dat de foto’s zijn gemaakt om ook de leden van de familie die de schilderijen niet zelf hadden er in te laten delen.

Het Rijksbureau voor Kunstdocumentatie schrijft de portretten toe aan schilder Theodorus Bohres (1779-1852). Bohres was een Duitse schilder die door Nederland trok en zo’n 250 schilderijen van voorname personen heeft nagelaten. Tussen 1815 en 1820 woonde en werkte Bohres in Groningen. Een pastelportret van hem kostte in die tijd z’n acht gulden.

Klaas Klaassens de Waard

Lucina Thema, vrouw van Klaas Klaassens de Waard

Terzijde: in die Groningse tijd schildert Bohres ook de burgemeester van Grijpskerk, Klaas Klaassens de Waard, diens vrouw en hun zoon Klaas. Waarom hun dochter niet geschilderd is, weten we niet, maar voor dit verhaal is dat wel jammer. De dochter zal namelijk trouwen met kalkbrander en wijnhandelaar Cornelis Lambertus Bulthuis uit Hoogkerk. Enkele jaren nadat reisverslagschrijver Ede Abraham Zeilinga (de jongere) zijn reis op de Piet Hein maakt, trouwt hij met de dochter van Bulthuis. Hij zal zijn zoon zelfs naar zijn schoonvader vernoemen, Cornelis Lambertus Zeilinga, zoals we nog zullen zien.

Inburgering in Nieuwendam

Hoe is dat allemaal gegaan in die tijd? Ongetwijfeld kende Ede (de oudere) Amsterdam en Nieuwendam al voordat hij er naartoe verhuisde. Hij zal er contacten hebben gehad en zijn komst goed hebben voorbereid, bijvoorbeeld door afspraken te maken over de levering van zeilen.

Nieuwendam heeft nu nog steeds een haven en centraal daarin ligt een soort schuin aflopend plein. Het is de oude scheepshelling die al lang niet meer in gebruik is. De helling behoorde lang toe aan de scheepswerf Meursing. Ede’s nieuwe zeilmakerij ligt dichtbij de scheepswerf, en ik ga er van uit dat Zeilinga voordat hij zich in Nieuwendam vestigde al afspraken had gemaakt over het leveren van zeilen aan de werf, al wordt dat nergens vermeld.

Pieter Hendrik Kaars Seijpestijn

Misschien is dat ook gegaan via zeildoekleverancier Kaars Seijpesteijn. Het ligt voor de hand dat Zeilinga al zeildoek van die leverancier betrok toen hij nog op Schier woonde. De familie Kaars Seijpesteijn uit Krommenie, en met name Pieter Hendrik (ook wel Piet Hein, of alleen ‘Piet, waarnaar het schip van Meijer is vernoemd) is lange tijd een van de grootste zeildoekproducenten en scheepsreders uit Nederland. Zeildoek uit Krommenie stond bekend als het beste uit het land.
In 1867 varen er zo’n vijfentwintig schepen voor de broers Piet Hein en Brechtus Kaar Sijpesteijn. Ze halen hennep en potas uit Rusland voor de productie van zeildoek. De potas wordt gebruikt voor het bleken van de zeilen, want witte zeilen brengen meer op in de verkoop. Niet alleen Aldert Meijer, maar ook neef Zeilinga uit Sappemeer varen voor Kaars Sijpesteijn. Die rederij vaart vooral met kapiteins uit Schiermonnikoog.

De familie Sijpesteijn heeft in de omgeving van Krommenie zo’n tien windmolens, zogenaamde ‘beukmolens’, voor verwerken van de ruwe hennep tot vezels. Die vezels laat men door thuiswerkers spinnen en weven, tot banen zeildoek weven. Jaarlijks ongeveer 4200 rollen, zo’n 800 kilometer! Pas in 1889 wordt er voor het eerst ‘machinaal zeildoek’ gemaakt. Tot die tijd was het zwaar en slecht betaald handwerk. Een wever verdiende ongeveer zes gulden per week. Er werden meer dan twintig soorten zeildoek geproduceerd. volgens strenge kwalificaties.

Ansicht: haven van Nieuwendam

Amsterdam is altijd al een immigratiestad geweest. Men is er gewend aan nieuwkomers uit de provincie en het buitenland. De helft van de Nederlandse oorlogsvloot in de tijd van Michiel Adriaansz. de Ruijter bijvoorbeeld, bestond uit buitenlanders. Andersom zal het voor de mensen uit Schiermonnikoog wel erg wennen zijn geweest. Zij waren er aan gewend om hun eigen versie van het Fries te praten, en te wonen in een kleine overzichtelijke gemeenschap die in onze ogen behoorlijk primitief was. Nu woonden ze in – of vlakbij – de grote stad. Binnen zijn gemeenschap op Schier stond Ede in hoog aanzien, hier misschien minder. Al met al zal het flink aanpassen zijn geweest, nog meer reden om elkaar als Schiermonnikogers op te zoeken en de onderlinge banden goed te onderhouden.

Graanhandelaar Hendrik Cleyndert uit Nieuwendam

Al snel burgeren de Zeilinga’s in. Er worden contacten onderhouden met mensen die ook van Schiermonnikoog komen. En er worden contacten gelegd met de belangrijke families in Nieuwendam en Amsterdam. Leden van de familie Zeilinga trouwen bijvoorbeeld in, in de families Jaski (kapiteins,oorspronkelijk van Schiermonnikoog), Meursing (scheepsbouwers) en Bok (scheepstimmerlieden). Edes oudere zus Neeltje trouwt zelfs met Albert Cleyndert, telg van de machtige familie van graanhandelaars en scheepsreders uit Nieuwendam.

Ede’s oudste dochter Neeltje trouwt in 1833 in Nieuwendam. Haar huwelijkspartner is Benjamin Christiaan Jaski uit Schiermonnikoog. Hij komt uit een bekende zeevaartfamilie die zegt af te stammen van Poolse adel die toevallig op Schier terecht is gekomen. Benjamin is kapitein en de twee vestigen zich dan ook in Nieuwendam. Zoon Feije trouwt in 1839 in Amsterdam met een vrouw uit die stad als hij zijn zeilmakerij aan de Prins Hendrikkade start.

Schoener De Schone Zeebloem Kapitein Abraham Ede Zeilinga, 1848 Jacob Spin.

Tweede zoon Abraham Ede trouwt in 1843 in Nieuwendam echter weer met een vrouw uit Schiermonnikoog, en vaart als kapitein op de Schone Zeebloem. Hij trouwt met de twintigjarige Trijntje Meijer (1823-1859). Zijn zus Grietje Zeilinga trouwt drie jaar later met Trijntjes broer, kapitein Aldert Jacobs Meijer, mijn betovergrootvader. Ze doen dat ook in 1846 Nieuwendam. Trijntje en Aldert zijn elkaars enige broer en zus, en wonen nu vlak bij elkaar.

De moeder van Aldert en Trijntje was al in 1826 gestorven toen ze vijfentwintig jaar was, mogelijk aan complicaties bij de geboorte van haar twee kleine kinderen, Feye en Sibbeltje. Die worden allebei nog geen jaar oud en sterven in hetzelfde jaar als hun moeder. Aldert en Trijntje zijn pas vijf en drie jaar oud als dat gebeurt. Ze blijven dan alleen over met hun vader en opa. In 1842 overlijdt hun opa, tjalkschipper Aldert Jacobs Meijer, en in 1849 hun vader, kapitein Jacob Alders Meijer in het Pools/Duitse Altenau.

De werf Meursing

We hebben gezien dat de verhuizing naar Nieuwendam plaatsvond rond 1833. De nieuwe zeilmakerij aan de Nieuwendam heeft een bijzonder uitzicht: over de haven en een scheepswerf. De locatie zal niet toevallig zijn. Hoewel er niets over te vinden is, is het waarschijnlijk dat de verhuizing van zeilmaker Ede Abrahams Zeilinga in verband staat met deze scheepswerf. Kort nadat de Zeilinga’s verhuizen naar Nieuwendam, gaat de werf over in andere handen. Die scheepswerf heeft nog een belang voor ons verhaal. Daar worden de schepen gebouwd waarmee de familie vaart, zoals de Piet Hein die het decor voor het reisverslag vormt. En de werf wordt in Ede’s reisverslag zelfs expliciet genoemd.

De scheepswerf in Nieuwendam is aanvankelijk in het bezit van Jan Goedkoop (1781-1855). Deze komt uit een geslacht van turfschippers, maar hij bouwt een groot handelsimperium op. Als Jan sterft laat hij een vermogen van omgerekend naar nu zo’n vijf miljoen euro na. In 1826 startte Goedkoop een lichterdienst van Amsterdam naar Nieuwediep over het Noordhollandsch Kanaal. Daartoe bracht hij drie nieuwe schepen in de vaart, die voortgetrokken werden door de jaagdienst. Twee jaar later werd hem door de gemeentes Den Helder en Amsterdam vergunning verleend om deze dienst als beurtvaart uit te voeren. Daaraan waren diverse voordelen verbonden, zodat Goedkoop een belangrijk vervoerder werd op dit traject. De meeste kapiteins die op Amsterdam voeren, zullen hem of zijn naam gekend hebben. Ook begint Goedkoop een rederij en een scheepswerf. Die worden later door zijn zoons voortgezet. Vanaf 1855 bouwen ze een vloot aan stoomschepen op.

Goedkoop heeft ook de werf in Nieuwendam in zijn bezit, maar verkoopt deze in 1836 aan een Groningse herenboer, Wicher Hooite Meursing (1770 – 1834). De Meursings waren Groningse herenboeren, die daarnaast al in de 17de eeuw schepen bouwden voor de turfvaart en later voor de kleine kustvaart. eed dat op zijn werf in Kalkwijk. Wichers zoon Hooite Wichers Meursing (1802-1847) was aanvankelijk herenboer maar keerde terug naar de scheepsbouw. En toen deed hij iets dat in onze hedendaagse ogen zeer vreemd is, maar ook toen al een heel avontuur. Hooite had drie zeer jonge zonen van zestien, vijftien en twaalf jaar – Wicher, Emmo en Aalrik – die niet wilden deugen voor school. Bovendien zag hij dat de scheepsbouw in Groningen flink werd gehinderd door de veel te smalle kanalen en bruggen. Daarom kocht hij van Jan Goedkoop de werf in Nieuwendam, die naar verluid in verwaarloosde toestand verkeerde.

Een goede zet. De jonge Wicher, Emmo en Aaldrik werden daar in het diepe gegooid, samenwonend met een huishoudster en een meesterknecht. De meesterknecht Tieman Bok verdiende zo’n tweehonderd gulden per jaar, de huishoudster 20 gulden per kwartaal. De werf met gereedschap en grond werd gekocht voor 8000 gulden. Voor 7600 werd er een nieuwe loods geplaatst. En, wat niet te verwachten was: het werd een groot succes. Al in 1839 is het eerste schip klaar. Uit de boeken van Meursing blijkt dat Ede Abrahams Zeilinga de zeilen voor schepen levert.
Van de drie zoons Meursing was Wicher de enige met ervaring. Hij was al van school af gegaan toen hij twaalf was en had sindsdien op een werf gewerkt. In een korte terugblik op zijn leven vertelt hij veel dat voor ons interessant is. Hij vertelt ons in krakkemikkig Nederlands bijvoorbeeld hoe zijn vader op het idee kwam om een werf aan de andere kant van het land te kopen. Dat ging via de kapitein van een schip dat Wicher hielp bouwen

(uit 1986 (mcmlxxxvi) jaarboek 78 – Amstelodamum):
De eene daarvan kreeg als kapitein Jochum de Jong die mijn vader vertelde dat er te Nieuwendam bij Amsterdam eene werf te koop was geschikt voor reparaties en grootere schepen te kunnen bouwe. Mijn vader ging met die kapitein in het begin van 1837 daar naar toe en kocht van Jan goedkoop de werf te Nieuwendam met rietland, kerklandje en al het scheepstimmergereedschap voor f 8000.

Vervolgens vertelt Wicher iets over zijn reis van Groningen naar Nieuwendam. Die verliep via een iets andere route dan die vanaf Schiermonnikoog, maar laat wel iets zien van de indruk die de grote stad op nieuwkomers maakte. ‘De groote beroemde stad Amsterdam.’
(…) Mijn vader bracht zijn 3 zoons van Groningen eerst met de Binnen Lemmers Veerschuit naar de Lemmer en toen des avonds +/- zeven uur in de Buiten Lemmers Veer over de Zuiderzee, schipper Wiersma, en sliepen ’s nachts goed. Des morgens om zes uur ontwakende zagen wij voor ons op het Y de groote beroemde stad Amsterdam.
Toen stapten vader en zijn zoons naar de Nieuwe Stadsherberg, lieten ons met een tolschuitje overvaren naar het Tolhuis, gingen over de Willemsluis en wandelden zoo naar Nieuwendam. Daar stond een dubbel woonhuis op de werf, wij gingen wonen in het voorste gedeelte en Tiemen Bok, onze zetbaas in het achterste gedeelte wonen.
Broer Emmo ging al snel terug naar Groningen, om daar op verzoek van zijn vader een andere werf te gaan exploiteren. Wicher en Aaldrik werden na de dood van hun vader in 1847 eigenaren van hun werf in Nieuwendam. Dat was in het begin zuinig leven. Wicher schreef later zijn succes toe aan Groningse nuchterheid. ‘Hadden wij op Hollandsche manier geleefd, dan had het spoedig mis geweest.’

Tot begin 1847 werd de werf voor vader Hooites rekening geëxploiteerd door zijn zonen. Toen kreeg hij alle handelskapitaal dat hij er in gestoken had terug met een meerwaarde van + f 49000,-. Het levensonderhoud van de jongens en de huishoudster had in die tien jaar f 12225,- gekost, Verdiend was er dus f 61225,-.

Nu ze op eigen benen staan, koopt Aaldrik voor 900 gulden het toen nieuwe huis aan de dijk aan, dat nog steeds uitkijkt over de werf. De woonruimte die daarmee vrij komt op de werf kan worden gebruikt om kapiteins tijdelijk onderdak te bieden als hun schip er wordt gebouwd.

(foto huis nog invoegen)

In 1850 kopen de broers er werf De Nachtegaal op het Bickerseiland in Amsterdam bij, en in 1857 Concordia op Oostenburg. Wicher verhuisde naar het Bickerseiland (waar hij ook een machinefabriekje begon), Aaldrik bleef in Nieuwendam. Geleidelijk verslechterde hun verstandhouding en in 1876 werd de firma Meursing & Co, gesplitst. Aanvankelijk boekten de Meursings succes met hun grote zeilschepen, maar na 1870 kregen ze het moeilijker door de opkomst van de stoomvaart en de crisis in de scheepsbouw. In 1887 hield Aaldrik ermee op. De laatste jaren in Nieuwendam bouwde hij naar eigen ontwerp een serie van zeven grote klipperschepen, die allemaal naar de liberale voorman Thorbeckes worden vernoemd. Deze schepen hebben in zeilvaartkringen grote bekendheid verworven.

Het eerste schip dat op de werf in Nieuwendam gebouwd wordt is in 1839 de Drie Gebroeders, een driemaster die elf jaar later verongelukt in het ijs van de Witte Zee. Als mijn aanname goed is, zal ook de driemaster voorzien zijn geweest van zeilen van zeilmakerij Zeilinga. Daarna wordt er doorgebouwd in een tempo van één, twee en soms zelfs drie schepen per jaar. In 1848 wordt er  bijvoorbeeld de Zeebloem gebouwd voor reder Willem Kaars Sijepestein. Zeilmaker F. Zeilinga levert de zeilen voor f9179,-. Kapitein wordt de oudste zoon, Abraham Edes Zeilinga, die er tot 1857 op vaart. In 1851 wordt de Piet Hein (I) er gebouwd voor kapitein Aldert Meijer. (Daarvan zijn de zeilen  ook geleverd door F.Zeilinga).  De twee zwagers Aldert en Abraham varen dus op schepen die sterk op elkaar lijken, en voor dezelfde rederij.

Hoe goed waren die schepen?

‘We kregen veel schoeners en barken besteld meer als we afkonden; de schepen voldeden altijd goed enkel was het wel eens dat er een beetje vuur (koude rot, miv.) in kwam,’ schrijft Wicher in zijn terugblik.

In 1847 overlijdt vader Meursing in Hoogezand. Vader was ‘te lastig en opvliegend,’ schrijft Wicher. ‘In de zomer van 1847 is mijn vader te Hoogezand overleden, verzwakt door langdurig misbruik van sterke drank; was anders een zeer vlug en sterk mensch doch doorlopend driftig.’
Na zijn dood werden Wicher en Aaldrik in 1847 eigenaren van hun werf. Aaldrik blijft in Nieuwendam. Hj is dan nog steeds erg jong, slechts 21 jaar. Volgens zij broer moest hij alles nog leren. Toen Abraham Edes Zeilinga en Aldert Meijer er hun schepen de Zeebloem en de Piet Hein lieten bouwen, was dat dus niet de beste tijd voor de scheepswerf. Soms ging het goed fout, zoals onderstaand verhaal – verteld door zijn soms wat rancuneuze broer Wicher – laat zien.

Zijn eerste schepen, althans die hij te Nieuwendam bouwde voeren meest lek, onder anderen de schoener Honingbij, voor rekening van Spekham Duivis van de Zaan, daar hielden wij ‘/s aandeel in. Toen dat schip in het Oosterdok te Amsterdam bijna beladen was bestemd naar de Middellandsche Zee, was het zoo lek dat de experts wilden dat het schip weer lossen zou en ik was er ook voor.
Hij zeide dat zou wel digt trekken; de kapitein had er ook veel bezwaar in maar was een te goede man en zoo ging het schip toch in zee en zonk op de Italiaansche kust, met goed weer, alzoo kwam de equipage er goed af. Dit deed de firma veel schade in renommee, maar daar wij de schepen reeds gingen bouwen op avontuur zonder bestelling kwamen wij dat ligt weer te boven.

In de rekeningboeken van de firma vindt ik onder de naam van dit schip inderdaad een kwaad bijschrift van dezelfde strekking. Arme kapitein Arend Jans Oltmans die dit rampschip had moeten varen. Na dit debacle laat zijn rederij meteen een nieuw schip voor hem bouwen, maar wel bij een andere werf.

Links onder de kwade notitie van Wicher Meursing: ‘Nooit digt geweest!’

Later wordt de kwaliteit van de schepen beter. Tijdens de ‘Enquête omtrent den toestand van de Nederlandsche koopvaardijvloot’ die de Tweede Kamer in 1875 houdt, worden de scheepswerven in Holland beter genoemd, ‘vooral die, die te Nieuwendam door den heer Meursing worden gebouwd.’ (p.382)
Het zou me niet verbazen als de zoons een aardje naar hun vaartje hadden. Wicher beschrijft zijn broer in ieder geval als ‘scherp en lastig, niet om uit te houden.’ Zelf zal hij waarschijnlijk ook niet de gemakkelijkste zijn geweest. In ieder geval lopen de spanningen tussen Wichter en Aaldrik zo op dat ze uiteindelijk in 1876 besluiten te boedel te scheiden. De ruzies zouden gaan over de kwaliteit van de schepen maar de karakters zullen ook hun rol hebben gespeeld. Hoe de boedelscheiding ging?
‘Mijn groot nadeel is geweest, dat ik de werf te Nieuwendam niet gekregen heb omdat het werkvolk daar geschikt en goedkoop is. Er is om geloot en het lot was mijn broer gunstig, was het mij gunstig geweest dan had hij de boel in de war gegooid tot zoo lang hij zijn zin had. Dit is natuurlijk volgens mijn idee en ondervinding,’ schrijft Wicher.

Er is dus geloot wie wat zou krijgen. Aaldrik zet de scheepswerf in Nieuwendam voort, zijn broer die in Amsterdam. Aaldrik zet de scheepswerf nog een tijdje door, tot de crisis in de scheepsbouw echt toeslaat. Hij stopt er in 1887 mee en gaat rentenieren. De plotselinge sluiting van de scheepswerf zal ongetwijfeld een schok zijn geweest voor de zeilmakerijen.
Twee zeilmakerijen Zeilinga

Zeilmakers aan het werk bij Zeilinga. Waarschijnlijk aan de Prins Hendrikkade in 1916

Zoals ik al vertelde, is er over het vak van de zeilmaker weinig te vinden. De enige ervaring die ik vind, staat in een boek uit de jaren 70. Waarin heeft Hylke Speerstra de herinneringen van de laatste zeilvaarders opgetekend. In een kort stukje (P65) kijkt ook een zeilmaker terug op zijn werk. Het laat zien hoe zwaar het werk van de zeilmaker was, de hele dag met je blote handen naalden door het zware zeildoek werken:

Vertel me niet dat het leven vroeger harder was dan nu. Ik heb de tijd nog meegemaakt dat ik als knechtje bij zeilmakerij Pasveer zingend zat te zeilnaaien. Je moest zien tien steken op de lengte van de naald te houwen. En dan samen werken aan een groot schoenertuig. Eerst het zeilgaren teren. Dat was toch mooi werk. Je had toen uren nodig om twee banen van veertien meter aan elkaar te naaien.
’s Morgens heb ik wel eens het gevoel gehad van ‘dit red ik vandaag niet.’ Dan kon ik wel janken van de pijn. Die naald moest je door het zware hennepdoek zien te krijgen. Je vingertoppen leken dan soms verse lappies spek. ‘Deurgaan,’ zeiden de ouwen toen nog tegen de jongen. En dan ging je deur, want de ouwen waren toen nog de baas. En als je niet meer kon, dan greep je naar de tang, om zo de naald er door te trekken.
(…) Achteraf bekeken begrijp ik niet dat er eind vorige eeuw nog wat aan het zeilmaken werd verdiend. We rekenden tachtig cent de el. In het grootzeil van een schoener ging 400 el, in de bezaan 200 el, de vier fokken moeten 100, 60, 40 en 30 el zijn geweest. Met een paar centen winst op de el was zo’n tagrijn al lang tevreden.

Hoewel er weinig over is vastgelegd, staat vast dat het zeilmaken vakwerk was. In de boeken van Kaars Sijpesteijn worden bijvoorbeeld als meer dan 20 soorten zeildoek genoemd. De zeilen boven in de mast maakte men van licht zeildoek, want die stonden alleen bij, met mooi weer. De onderste zeilen moesten ook een storm kunnen doorstaan en waren daarom van zwaar zeildoek. Aan een beetje klipper hing al snel zo’n duizend kilo zeil. Elk zeil moest precies op maat zijn en zo sterk mogelijk, want de kapiteins waren kritisch..

Uit huis

Hoe is verder gegaan tussen de broers en zussen Zeilinga in Nieuwendam?
Feije Zeilinga (1815 – 1866) is de oudste zoon. Hij gaat al snel het huis uit. Al in 1839 begint hij een eigen zeilmakerij, dus niet lang nadat zijn vader in Nieuwendam is begonnen. Feije start voor zichzelf aan de andere kant van het IJ, aan het waterfront van Amsterdam.

Zijn vader Ede werkt tot zijn dood in 1853 door in Nieuwendam. Edes zoon Jacob komt er later bij in de zaak en neemt die dan over. Dan zijn er nog twee jongere broers over. Abraham Ede Zeilinga wordt – zoals we hebben gezien – kapitein op de Zeebloem. Broer Haike wordt koopman. Hij gaat een avontuur aan met Jeppe Meijer in de boter en kaas. Jeppe is trouwens ook afkomstig van Schier en verre familie.

Feije Zeilinga. Collectie Wim Zeilinga.

Over de begintijd van Feije in Amsterdam zijn we slecht ingelicht. Er zijn geen archieven bewaard en er wordt nog niet geadverteerd. Als ik al bijna de hoop heb opgegeven om nog iets te vinden, tref ik in een sportblad uit het begin van de twintigste eeuw een kort artikeltje aan dat het kale geraamte van jaartallen iets inkleedt. Zeilinga is in die tijd een vaste adverteerder van Revue der Sporten, dat zich kennelijk in 1916 genoodzaakt voelt om eens iets terug te doen in de vorm van een aardig en lovend artikeltje.

De Firma Zeilinga dateert al van jaren her. In 1839 vestigde zich de heer Feye Zeilinga immers als zeilenmaker aan den Droogbak te Amsterdam, waar in den beginne op bescheiden voet gewerkt werd, een arbeid evenwel, die zich gestadig uitbreidde, ook onder den opvolger des heeren Feye Zeilinga, diens zoon J.J. Zeilinga, die destijds als technisch adviseur aan de Marine-werf te Amsterdam werkzaam was.

Feye lijkt zich eerst in een kelder aan de Droogbak te hebben gevestigd. Voor wie Amsterdam tegenwoordig per trein binnenkomt: rechts tegenover het station. Daarna verplaatst de zeilmakerij zich naar de Prins Hendrikkade.
Hoe die uitbreiding geschiedde, wordt wel het pittigst gedemonstreerd door het verhaaltje over de verschillende werkplaatsen. Arbeidde men aanvankelijk in een kelder, daarna in een groot oud pakhuis, waar het licht en de ventilatie veel te wenschen overlieten, sedert 1903 is een nieuwe fabriek van 16 bij 6 meter in gebruik genomen, lokalen vol licht en ruim voldoende aan de moderne eischen.

Feye is op 2 september 1839 ingeschreven in een woonhuis aan de Gelderse Kade in Amsterdam, vlak bij zijn werkplek aan de Prins Hendrikkade. Zijn woonadres draagt eerst de nummers 45/44 en later 444. Beroep: Zeilenmaker. In datzelfde jaar is hij getrouwd met Anna Catharina Berke, een winkeliersdochter. De ambtenaar kan flink doorgaan met inschrijven, want het echtpaar krijgt zes kinderen.

Het eerste kind is een zoon die naar de vader van Anna wordt vernoemd: Jan Jurgen. Na twee dochters – Lollina en Alida – volgt de tweede zoon, op 19 april 1848. Nu is Feye aan de beurt om te vernoemen. De keuze valt op ‘Ede Abraham, de naam van zijn vader. Het is deze Ede Abraham die in 1865 ons reisverslag schrijft op dus 17-jarige leeftijd. Er volgen nog twee dochters, Neeltje en Grietje. Ook heeft het gezin een inwonende dienstbode, zoals blijkt uit de inschrijving. Uit een advertentie die ik later in een krant vindt, blijkt dat het ook nog een hond heeft gehad: Black. Niet het vriendelijke type, want als hij vermist is blijkt het zwarte dier volgens de omschrijving een muilkorf te hebben gedragen. Misschien was het een hond die de zeilmakerij moest bewaken.

‘Eerste experiment electrisch laden en losschen.’ (19290. Rechts achter toevallig: Zeilmakerij Zeilinga. PH kade 120

 

Het oude pakhuis waarvan sprake is in het citaat uit Revue der Sporten is de bedrijfsruimte, aan de Prins Hendrikkade 120. Daar heeft de zeilmakerij meer dan een eeuw gezeten. Locatie: vanuit het station links af, een paar honderd meter doorlopen. Het pakhuis staat er nog steeds maar is nu een hotel. Op een enkele oude foto is het nog te zien met een groot bord Zeilinga op de gevel. Voordat het de Prins Hendrikkade ging heten, werd de plek ‘de Buitenkant’ genoemd. Aan de andere kant van dat woningblok ligt daarom de Binnenkant, die nog altijd zo heet. Daar, op Binnenkant 38 is het kantoor van de zeilmakerij gevestigd.

Zeilmakerij Zeilinga  met winkel, rond 1929, detail vorige foto.

De Prins Hendrikkade is in die tijd een plek waar veel bedrijven zitten die met de zeevaart te maken hebben, zeilmakers, cargadoors en assuradeurs. Op nr. 189 zit de Kweekschool voor de Zeevaart. De plek grenst heel handig aan het Oosterdok, de binnenvalhaven voor veel zeevaarders, en later aan de De Ruijterkade, de aanlegplaats voor stoombootdiensten.

Oosterdok in 1865.

Bij de precieze straatnummers van de Zeilmakerij moet ik een slag om de arm houden, want er duiken af en toe ook andere straatnummers op, waarbij me niet duidelijk is of het gaat om veranderende straatnummering, of daadwerkelijke verplaatsing van het bedrijf. Soms wordt de Prins Hendrikkade 109 genoemd, en de Binnenkant 37. Ik neem aan dat het om omnummeringen gaat.

Zeilmakerij in Groningen

Feye Zeilinga wordt niet oud. Hij sterft in 1866 al op 55-jarige leeftijd.  Vier jaar voordat Feije overlijdt, begint er al een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van zeilmakerij Zeilinga, dat van zijn zoons. Amsterdam pocht er graag op dat het een grote zeehaven is, maar in de negentiende eeuw speelde zich een belangrijk deel van de scheepsbouw af in Groningen. Daar werden meer schepen gebouwd dan in Amsterdam. Ze zijn doorgaans wel een stuk kleiner dan die in Amsterdam gebouwd worden, maar toch, het is een markt die de moeite waard is. In 1862 begint F. Zeilinga een filiaal aan de Noorderhaven in Groningen, dat onder leiding komt van Jan Jurgen en Ede Abrahams.

Laden en lossen bij Noorderhaven rond 1900. Pand 48 heeft dan nog een takel in de nok.

Meer hierover leest u in deel II van dit blog over 2 eeuwen zeilmakerij Zeilinga.

Advertisements