20170120_152216

Hoeveel toeval kan een mens verdragen? En waar is het goed voor? Ik vraag het u af.

Er zijn van die toevalligheden die me mijn hele leven zijn bijgebleven, en waarvan je het gevoel hebt dat ze een diepere betekenis moeten hebben. Maar welke?

Eén daarvan speelde zich af op een oude Romeinse weg in Oostenrijk. Ik ben er mijn leven lang over blijven piekeren. Ik was dertien en zat achter in de grote rode Ford Taunus van mijn vader. De auto was vol met koffers en ons gezin naar Oostenrijk gereden voor alweer onze tweede vakantie in dat land. Vader, moeder, zusje en ik.

Veertien dagen waren we in Oostenrijk en telkens kwamen we langs onze ‘rampplek.’ De weg kronkelde zich een pad door de bergen, en wij kronkelden mee, terwijl de zware automotor gezellig snorde. ‘Kijk daar was het vorig jaar!’ wezen we naar beneden. In de diepe vallei onder ons was door mistflarden heen iets te zien dat leek op een oude stenen weg met een ruïne er naast. Haast onzichtbaar, maar wij zagen wat daar een jaar eerder diep in ons geheugen was gegrift: een weg die duizenden jaren geleden door de Romeinen was aangelegd door de Alpen. Romeinse degelijkheid, die er voor zorgde dat de route twee millennia later nog steeds begaanbaar was. Maar: aan haarspeldbochten deden de oude Romeinen niet. Als de weg omhoog ging, dan ging hij recht omhoog. Stijl en genadeloos.

Nu werden we er niet meer warm of koud van, maar hoe anders was was onze situatie een jaar daarvoor. Toen was ik twaalf, en voor het eerst op vakantie in het buitenland. ‘Kijk bergen!’ zei mijn moeder ergens halverwege Nederland en Oostenrijk. We reden over de Duitse autobahn en voor het eerst in mijn leven zag ik bergen. Het geluid van de auto veranderde ondertussen langzaam, van een zacht gepruttel in een oorverdovend geronk. Toen horen en zien ons tenslotte vergingen, stopten we bij een praatpaal en belden we de wegenwacht. Die boog zich over de auto, keek fronsend en constateerde ‘Auspuff.’ De uitlaat was kapot. Ergens in het ding zat een gat, zodat de knaldemper het niet meer deed. De motorgeluiden konden zich een uitweg zoeken zonder ergens enige demping te ondergaan. Geen echt probleem, wel hinderlijk: ‘U kunt gewoon verder rijden.’

Dus verder gingen we in onze rode DAF 44 richting Oostenrijk. Omdat het voertuig nogal klein was voor een gezin op vakantie, was het opgetuigd met een groot imperiaal op het dak. Daarop zaten nog eens drie koffers vastgesjord. Mijn vader had uiteraard graag een grotere auto gehad dan een DAF en had daar zelfs genoeg geld voor. Er was echter één probleem: mijn vader had maar één arm. Iets met de oorlog…

Terwijl de buren tijdens de loonexplosie in de jaren 60 van hun snel groeiende inkomens grote Volvo’s en Peugeots kochten, mocht mijn vader blij zijn dat deze meest Nederlandse van alle auto’s op de markt kwam. Een auto die je niet hoefde te schakelen, en dus kon rijden met één arm. Aan de ene kant mooi dat hij nu een auto had, maar tot zijn grote ongenoegen moest pa het dus doen met de auto ‘met het pientere pookje,’  die hoewel de DAF technisch gezien juist zijn tijd zover vooruit was, het autotype al snel de bijnaam ‘truttenschudder’ bezorgde. Als ambitieuze jongeman wilde je er niet in gezien worden..

Toch was het een tof karretje, maar met in ons geval nog één nadeel. Behalve de kapotte uitlaat had hij nóg een defect: de motor draaide nog maar op drie van de vier cilinders, en was dus flink wat vermogen kwijt. Daar kwamen we echter pas officieel achter toen we terug in Nederland waren. Onderweg naar Oostenrijk werden we echter keihard met de gevolgen geconfronteerd.

Nauwelijks waren we het prachtige Oostenrijkse berglandschap ingereden, of er was een omleiding. Zonder dat we begrepen wat en hoe, werden we inclusief ons rode bakkie via een steile weg naar beneden gedirigeerd. Daar belanden we op die oude Romeinse weg. De stenen waren uitgesleten en bemost. De route voerde ons door een – zo te zien middeleeuwse – ruïne waar wat schimmige armoedige mensen onheilspellend rondliepen en wasgoed wapperde aan een lijn. Ik denk dat het zigeuners waren.

Na een kilometertje of wat voort gehobbeld te hebben, kwamen we bij een stuk waar iemand het verkeer stond te regelen. Mijn vader was zichtbaar in verwarring. Wat gebeurde hier? En waarom werden we aangehouden? Nadat de korte file voor ons zich had opgelost, kwamen we aan bij de verkeersregelaar, maar zijn doel werd ons niet duidelijk. Althans… te laat. Het was de bedoeling geweest, dat iedere auto een aanloopje kon nemen en vrij baan kreeg de helling op. Onze auto zette zich echter meteen in gang, de steile helling op met onvoldoende afstand tot de voorganger. Plotseling begon mijn vader te vloeken en te tieren. Die auto voor ons! Die ging opeens zomaar stilstaan! Dat kon niet!

Maar het kon wel. Onze voorganger kwam er achter dat de helling te stijl was om in de tweede versnelling tegen op te rijden, en schakelde naar de eerste. Langzaam kwam hij weer op gang. Maar wij niet. Bij onze DAF viel immers niets te schakelen en bovendien was de motor deels defect. Daar stond hij: met vier man er in, een afgeladen bagageruimte, en drie zware koffers op het dak. De motor zonder auspuff maakte een indrukwekkend geluid maar de auto gaf geen krimp.

‘Eruit!’ luidde het adequate bevel van mijn vader en daar gingen we. Mijn moeder en ik elk duwend aan één kant en mijn zusje op veilige afstand. Gelukkig, want toen vader de auto van de handrem haalde, rolde de wagen achteruit en konden we nog net op tijd aan de kant springen.

Hoe we ten slotte toch de berg weer zijn opgeraakt kan ik me door alle opwinding niet meer echt herinneren. Wel hoe het verder ging. Eenmaal aangekomen in vakantiebestemming Imst kon ons hotel niet meer ver zijn. Maar waar was het?

Na veel rondvragen trof mijn vader iemand die het leek te weten. Imst Karrösten? De Oostenrijker vertelde mijn vader in voor mij onverstaanbaar Duits hoe we verder moesten en wees daarbij onheilspellend omhoog. De bergen in.

En daar gingen we. En ik moet zeggen, onze nationale trots weerde zich dapper. Haarspeldbocht na haarspeldbocht werd gerond, hoger en hoger de bergen in. Tot we dan eindelijk in het gezochte Karrösten waren, en klein dorpje vlak onder de Alpenwiese.  Maar waar was nu ons pension? Niemand scheen het te weten. De familie Oppel dan? Geen mens die het wist. Tot eindelijk, er iemand ons antwoord gaf, voorover gebogen, vertrouwelijk fluisterend in het oor van mijn vader. “Ziet u dat gebouw waar u nu pal voor staat? Dat is het. Alleen…. de familie ligt niet goed hier in het dorp….niemand wil nog iets met ze te maken hebben….iets met de oorlog…”

Zucht. Diepe zucht. We waren er bijna. Tenminste….voor ons zagen we een lange oprijlaan naar ons vakantieverblijf opdoemen, die minstens zo stijl was als onze wegomlegging. Wat te doen?

Veertien dagen lang heeft het Oostenrijkse dorp Karrösten zich kunnen verbazen over een kleine rode DAF die al aan het ene kant van het dorp luid begon te toeteren, terwijl de auto zich plankgas over de smalle asfaltweg door het dorp werkte, om daarna met hoge snelheid de oprijlaan naar de familie Oppel op te rijden, en tenslotte bijna kruipend op haar laatste adem de parkeerplaats naast het pension te bereiken. Vakantie….

Toeval

Maar wat is nu dat ongelooflijke toeval, dat ik u in het begin van dit verhaal beloofde? Nou, hier komt het. Het was nu dus een jaar later. We zaten inmiddels in onze grote Ford Taunus automaat. Leve de vooruitgang! Ons zou niets meer gebeuren.

“Kijk daar moesten we vorig jaar naar beneden..” gniffelden we, terwijl we keer op keer lang onze ‘rampplek’ kwamen. Tot we tot onze grote verbazing een week later op dezelfde plek weer door een verkeersregelaar werden aangehouden. En weer gingen we naar beneden. Dit keer waren we echter vol vertrouwen. Grote auto, zware motor, en zelfs de auspuff was o.k.

Na een korte stop bij de tweede verkeersregelaar: daar ging hij weer! De helling op. Geruststellend ronkte de motor onder de motorkap, het leek wel kermis. Tot het gebeurde. Pal voor onze neus kwam een auto tot stilstand op de steile helling. Een rode DAF 44. Er stapten een man en een jongen uit. Vader en zoon. Mijn blik viel van het Nederlandse nummerbord op de kunsthand van de vader. De man miste zijn linker arm, precies zoals mijn vader!

Meteen stapten we uit en hielpen. Met vereende krachten lukte het snel om de DAF aan de gang te krijgen en al snel bereikte hij de gewone weg en daarmee het einde van de omleiding.

Meteen maakte het gebeuren enorme indruk op me. Hoewel dertien en nooit een ster in wiskunde en kansberekening, was me meteen duidelijk dat hier iets bijzonders was gebeurd. Iets was je toeval kunt noemen. Of zelfs ongelofelijk toeval. Want hoe groot is de kans dat twee rode Nederlandse DAF’s met daarin een bestuurder met één rechter arm, vast komen te zitten op precies dezelfde plek? En hoe groot is dan de kans, dan de inzittenden van de eerste DAF er dan een jaar later meteen bij zijn om de tweede DAF te helpen?

Ongelofelijk toeval

Gelooft u in toeval? Aan het eind van de vakantie reden we terug, zoals altijd in twee dagen. Tijdens een pauze tijdens de tweede rijdag stelde mijn vader een pauze voor. We stopten bij een meertje in Duitsland. De roeiboten ter plekke zagen er aanlokkelijk uit, dus huurden we er eentje. Moeder en ik roeiden om beurten. Tot we opeens vanuit één van de andere bootjes hartelijk begroet werden. Het waren de vader en zoon van de DAF die we in Oostenrijk hadden geholpen!

Gelooft u in toeval? Ik ook. Maar er zit ook een grens aan wat ik kan geloven. Soms wordt toeval ondragelijk. Hoe groot is de kans dat de inzittenden van twee roden Nederlandse DAF’s – beiden met één arm – elkaar helpen op precies dezelfde plek in de bergen. En elkaar vervolgens een week later elkaar vijfhonderd kilometer verderop tegenkomen terwijl ze aan het roeien zijn op een willekeurig Duits meertje?

Gelooft u mij, er zit een grens aan wat ik aan kan, qua toeval. Maar als het geen toeval was, wat was het dan? Ongetwijfeld had de gebeurtenis een betekenis. Maar welke? Daarover ben ik nu dus al zo’n 43 jaar tevergeefs aan het denken. En nu zit u er mee opgescheept. Ik vraag het u af. Als u een goede verklaring of de betekenis weet,…. u weet me te vinden.

Advertisements