Tags

, , , , , , , ,

377_720x480

Het staat te koop; het huis van mijn overgrootmoeder, mijn moeder, maar vooral van mijn oma. Op Funda kijk ik wat verweesd rond. Ja, er zijn aanknopingspunten…. de buitenkant is niet veel veranderd, maar van binnen? De trap herken ik, een schoorsteenschouw….

 

Wat is mijn eerste herinnering? Ik kom binnenrennen, over het grindpad naast het huis. Ik storm de keuken in. Mijn oma schrikt! Dat was  niet mijn bedoeling.

20160406_193733

De keuken ruikt vreemd, echt zoals het huis van oma ruikt. Nog steeds als ik een ruimte in stap die zo ruikt, ben ik opeens weer bij oma. God, wat mis ik dat. De geur van schimmel, vocht. Een oud huis dat alleen verwarmd wordt door een kolenkachel in de achterkamer.

Of nee, ik heb nog oudere herinneringen. Ik lag boven bij oma in bed. Ik moest bij haar logeren, waarom begreep ik niet helemaal. Of later wel. Ik lag daar in het bed bij oma, maar vond het tegelijkertijd een beetje eng. Het was dan wel mijn oma, maar tegelijkertijd een onbekende vrouw, iemand die ik nog bijna nooit had gezien. Dat heb je op die leeftijd als kind, je bent er aan gewend mensen iedere dag te zien, en al die anderen, dat zijn vreemden.

En toch rolde ik steeds tegen haar aan.

Want het bed zakte door.

We werden gewekt door hard lawaai van een kraan. Aan de overkant van de Brinklaan was de haven, en er was een schip aan het lossen, grind of zo iets. Daarna gingen we met de trein. Ik met mijn mandje autootjes in mijn hand, de andere hand hield zich vast aan oma. Tot we er bijna waren. Daar zag ik een onbekend huis. Het moet er nieuw hebben uitgezien, maar ik zag vooral iets bekends. Mijn pop! Het was er zo eentje van plastic met zand in de onderkant, zodat hij kon schommelen en toch altijd weer rechtop ging staan. We waren in ons nieuwe huis,  in Wierden, en ik was al twee en een half!

Later heb ik het huis aan de Brinklaan beter leren kennen. Het was een vreemd huis, want ik kwam er maar een paar keer per jaar, na een uren jakkeren in ons Dafje. Het was er leuk. De bruine suiker smaakte nergens zo lekker als in dat vochtige huis. Bij ons droogde hij altijd uit. En we speelden kaart. Amerikaans jokeren. Het enige kaartspel waarvan ik de regels onthoud.

Had ik al verteld over de muizen? Die zaten achter het behang. Je hoorde ze ritselen. Eén keer rende er eentje zo door de kamer! En zocht dekking onder het voetenbankje van oma. Die bedacht zich geen twee keer, maar schoof plotseling het bankje aan de kant en begon woest te stampen. En zoef….. weg rende de muis.

Je kwam het huis binnen in een keuken waar nog een handpomp was. Geen stromend water. Er was een geheimzinnige bijkeuken met een daklicht. Je ging de gang in, en rechts van de kamerdeur ging een Friese staartklok met een gong er naast. Later bedacht ik dat je daarmee de kinderen kon roepen, omdat het eten klaar was. Op de trap naar boven lag een loper, met roeden in koperen ringen. En boven was de slaapkamer waar mijn moeder ooit sliep met haar zus, op koude klapbedden die overdag achter gordijnen verdwenen.

De huiskamer bestond uit twee delen met schuifdeuren er tussen. Oma gebruikte eigenlijk alleen de achterkamer. Een tafel, een buffetkast, een klein tafeltje met verscheidene beeldjes uit Nederlandsch-Indië. Boven de kolenkachel hing een intrigerend schilderij met zeilschepen er op, waar ik de laatste tijd veel over heb geschreven. In de hoek een kastje met oude boeken en een klein buizenradiootje er op. “Daar in de hoek zat opa altijd muziek te luisteren,”vertelde mijn moeder. Ik had opa nooit gekend.

Er was zoveel dat ik nooit gekend had. En pas veel later, nadat oma overleed, ben ik dat huis beter gaan begrijpen. Voor zover je een huis kunt begrijpen. Het was niet altijd koud en stijf geweest. Eigenlijk is een huis een soort stoffelijk overschot van talloze levens. Mijn oma hebben we inmiddels begraven, net als mijn moeder, maar dat huis staat er nog altijd huis te zijn, een herinnering aan dingen die niemand zich meer kan herinneren. Niet alleen ik kwam er binnen, maar ook de Duitsers. “Dat was eng!’ zei mijn moeder. “Ze zochten onderduikers en mijn vader.  Maar die zat in de vesting van Naarden ondergedoken, op loopafstand. De soldaten zochten het hele huis door en staken overal in met hun bajonetten.”

Ik knikte en probeerde me dat voor te stellen, overal insteken met koude kille bajonetten. Maar mijn moeder bleef in mijn versie een volwassen vrouw, terwijl ze indertijd natuurlijk een jong meisje geweest moet zijn. Pas nu weet ik dat, nu ik haar foto’s heb gevonden, hoe ze er toen uitzag. Een lief meisje….

Oorlog, honger en kou, het heeft zich allemaal afgespeeld daar in dat huis. “We gingen ‘s avonds naar bed, omdat we geen licht hadden, behalve een heel klein drijflampje, maar daarbij kon je niet lezen. In bed lagen we te rillen van de kou. We waren zo arm dat ik met kerstmis alleen een ingepakt potlood kreeg als cadeau. Dat had ik nodig voor school.” Haar ogen werden nat als ze het weer eens vertelde.

Pas later, veel later ging ik beseffen dat er ook een heel ander huis was geweest. Vlak voordat mijn moeder doodging hadden we gesprekken over het huis, vroeger, terwijl we oude foto’s doorkeken die ik nog nooit had gezien. Het bleek een gezellig levendig huis te zijn geweest, een vol huis. Altijd mensen over de vloer. Opa en oma die bij allerlei verenigingen en clubs zaten, die half Bussum kenden. Opa die altijd voor mensen klaar stond en ‘veel te goed voor deze wereld was.’ Opa die bij de Bussumsche Orkestvereniging en Toonkunst viool speelde, zoals in de jaarlijkse uitvoeringen van de Mattheus in Naarden. “Hij oefende altijd in de voorkamer op zijn viool, terwijl mevrouw Scholten hem op de piano in de voorkamer begeleidde. In de achterkamer speelde oma dan kaart met meneer Scholten. Meneer Scholten was zeeman geweest en maakte voor opa een mooi scheepje in een fles, met daarin ook een modelletje van opa’s limonadefabriek. Allie’s Limonadefabriek: A. Meijer.  Het scheepje heette Dina, net zoals mijn oma: Lamberdiena Märckelbach, dochter van de uitgeefster van de Bussumsche Courant.

20151004_155343

Een vol huis, was het geweest, want behalve het rijke sociale leven van mijn grootouders, waren er in de oorlog talloze onderduikers en evacués geweest. Soms familie, soms vreemden. Tot er na de oorlog nog heel andere mensen binnenstormden. ‘A.Meijer, was dat niet misschien Arnold Meijer, die bekende NSB’er?’ Nee heren, dit is niet Arnold, maar Aldert Meijer, de limonadefabrikant.

Tevergeefs. Snel, streng en rechtvaardig zou er geoordeeld worden. Maar ja, dat was theorie. Jaren zat opa vast in Kamp Crailo. “Hij heeft er de blaadjes van de bomen gegeten.” Jaren stond mijn moeder op het hekje voor het huis te wachten tot haar vader thuis kwam. En toen hij eindelijk thuiskwam was hij een gebroken man. Tot haar dood is ze zich blijven afvragen wie de BS op haar vader had afgestuurd: ‘Hij had geen vijanden! Hij was veel te goed, hij nam altijd van alles voor iedereen mee, zelfs in de oorlog.”

Maar ja, iemand moet het toch gedaan hebben… in de archieven ligt misschien nog ergens een antwoord op me te wachten.

Het werd nooit meer zoals het was. Ja, het sociale leven werd opgepakt, maar de sfeer in huis bleef zwaarder dan te voor. En toen kwam er nog een ander aan de deur kloppen, net toen ik op komst was. Het was de dood. Hij kwam mijn opa halen. Een maagzweer, overgehouden aan het kamp.

Met haar dochters uit huis, bleef oma alleen achter in dat koude huis. Het werd stil, doods, zoals ik het gekend heb. Behalve als ik onverwachts kwam binnenstormen en de stilte verbrak. Dan werd oma onverwachts uit haar gepieker gerukt door een jong mannetje dat nog van niets wist. Een mannetje dat niet wist dat er ooit, al voor oma en opa er woonden,  overgrootmoeder er woonde, dat opa het voor zijn moeder gekocht had, nadat ze haar kruidenierswinkel in de Nassaulaan had verkocht. Dat zou hij pas veel, veel later ontdekken, toen al die mensen er al lang niet meer waren, dat dat vreemde stille huis, al zo’n vijftig jaar in mijn familie was, en het ooit bruiste van leven, grappen en muziek, dat opa en oma tot het eind van hun leven op elkaar verliefd bleven, ondanks alles wat ze meemaakten.

Het hek waarop mijn moeder dagenlang op haar vader wachtte, staat er nog schuldig te zijn. De trap, de deur de schoorsteenmantel. Aan de hand van foto’s op Funda dwaal in nog eens door het huis. Het huis waarin mijn oma leefde van een AOW’tje. “Ik heb het nog nooit zo goed gehad, wat een geld!” Waarin mijn oma de halve bloemkool voor zichzelf kookte, die ze bij de groenteboer in de straat had gekocht. Het huis waarin was gestreden en geknokt, een lange oorlog, hongerwinter en daarna. Wat heb ik nu als volwassene een respect voor die roodharige vrouw, die haar gezin die moeilijke periode heeft door gesleept. Wat zou ik haar graag nu nog eens zien, nu ik er zoveel meer van begrijp,  hoe graag zou ik de opa ontmoeten die ik nooit heb gehad. Maar ik weet dat het onmogelijk is, dat ik het moet doen met een doos oude grijze foto’s, en met wat plaatjes op Funda:

Karakteristiek, goed onderhouden en sfeervol huis met prachtige hoge plafonds, woonkamer en suite en 3 goed formaat slaapkamers. De gezellige en zonnige tuin ligt aan de zijgevel op het zuiden en is voorzien van een houten tuinhuisje. Op loopafstand gelegen van het centrum en station Naarden-Bussum.

€ 265.000 k.k.

377_720x480

Cato en Cor in de Brinklaan

Mijn overgrootmoeder Cornelia Groot aan Brinklaan 14 in Bussum. Rond 1925.

20160406_193609

Het gezin rond 1959. Linksboven,  net zichtbaar, de onderkant van de gouden lijst van het schilderij met de Piet Hein.

384_1440

zelfde plek nu

opa tussen 1958 en 1960

Opa met viool in de voorkamer, rond 1959

383_1440

zelfde voorkamer nu

 

Advertisements