1. Het recht op  gelijke kansen.
  2. Recht op leven.

 

Het was zo’n tien jaar geleden. We stonden met een plechtig groepje mensen dicht op elkaar in een winderig Bevrijdingsbos, bij Noorddijk. Kamerlid Marjo van Dijken ging de gelegenheid voor, en prevelde de Rechten van het Kind. Burgemeester Wallage stond aan haar zijde. Wij raadsleden stonden er zwijgend omheen als toehoorders, de handen plechtig gevouwen, het hoofd iets hangend. Daarnaast een paar oude mannen met gegroefde gezichten onder hun baret.

In een ondiepe kuil stond een dun boompje, in de bloei van zijn leven, maar klaar om de grond in te gaan. Het stond net naast het pad met de 10 Kinderrechten, waar het voor de eeuwigheid zijn plaats zou moeten krijgen. ‘Waarom?’ vroegen velen van ons zich af. Maar ja, als de veteranen er zijn, moet je iets speciaals voor ze doen, iets symbolisch. Om te laten zien dat het niet voor niets is geweest…

 3. Het recht om op te groeien bij je ouders.

4. Het recht op vrede.

‘Die verdomde rotoorlog,’ zag ik ze denken, die oude mannen met hun baretten. Canadese veteranen van de bevrijding van Groningen. Eén van hen trok zijn jasje wat recht, en draaide licht zijn gezicht weg terwijl ik zijn mondhoek zag trillen.

5. Het recht op eten.

 

Het is zo’n tien weken geleden. “Die verdomde rotoorlog, “zei mijn moeder, terwijl ze op de rand van haar bed in haar huiskamer zat. We hadden het daar gezet, want de trap op…, dat ging niet meer.

“Die rotoorlog…we waren zo arm! Eén maaltijd per dag, en dan het liefst ‘s avonds vlak voor je naar bed ging, anders sliep je niet. En we gingen vroeg naar bed, want licht was er ook al niet. Af en toe zo’n olielampje met een drijflontje, maar daar kon je niet eens bij lezen…”

Mijn moeder draaide licht haar gezicht weg, terwijl ik haar mondhoek zag trillen. “En weet je wat ik met kerstmis kreeg? Een ingepakt potlood voor op school!”

‘En zelfs daarvoor moesten mijn ouders sparen,’ dacht ik.

“En zelfs daarvoor moesten mijn ouders sparen,” vervolgde mijn moeder…

“En weet je wat het ergste was? De vernedering. De afhankelijkheid van anderen die je de restjes toestopten. Anderen die genoeg te eten hadden….die vierden feest met kerst, terwijl wij lagen te rillen in ons bed…”

Ik kijk haar aan. Haar oude uitgemergelde gezicht, tranen die langzaam de plooien in haar gezicht volgen, op weg naar beneden.

Ze is dan al meer dan tien jaar zwaar ziek. Het begon in 2001 met de longembolie. Toen die hartaanval, de versleten gewrichten in haar heupen in knieën. De bloedziekte waardoor ze geen pijnstillers mag slikken en alle pijn rauw moet worden genomen.

Haar ogen draaien mijn kant op, in een vergeefse poging me nog eens goed te zien. Mislukte staaroperatie. Nooit in die tien jaar had ik haar zien huilen. De pijn, de ziekte, het werd met kracht gedragen. Zelfs toen pap onlangs stierf, hield ze het droog.

Maar dan is er de herinnering aan die rotoorlog, de honger, de armoede, maar ook de liefde van haar ouders, die toch ondanks alles een potlood voor haar bij elkaar spaarden in die moeilijke tijden…. Tranen.

 

Recht op gezondheid, Recht op een eigen cultuur, Recht op bescherming tegen geweld, Recht op onderwijs.

“Weet je Marco?” vervolgde mijn moeder… “Ik snap het niet! Ik snap echt het niet! Toen waren we zo arm, maar nu zijn we zo rijk! En nog steeds  leven er kinderen in armoede…en dan ieder jaar met kerst zo’n actie. Alsof het een gunst is voor kinderen om iets te eten of te spelen te hebben. Nee het is een recht!”

“Ja mam,” zei ik, en voelde me al even machteloos als haar. Wat kan een mens in zijn eentje doen?

 

Mam kon al jaren niets meer, behalve op de bank zitten de radio luisteren. Al  het wereldleed kwam er op voorbij. Oorlogen, natuurrampen, maar vooral het ene Nederlandse financiële schandaal na het andere…met koele zakelijke radiostemmen besproken.”

“Ik snap het niet!” Ze balde haar door reuma gekromde vingers in machteloze woede. Alsof ze zo zelf al die arme kinderen van nu zou kunnen redden.

“Kun je me even helpen? Dan ga ik liggen, ik word moe.” Ik stond op en ondersteunde haar terwijl ze zich langzaam uitstrekte op bed.

De lijstjes kenden wij allebei. Geen verdere woorden nodig. Drie miljard is er nodig om die  kinderarmoede op te lossen. De raadselachtig onvindbare drie miljard. Want waar er ook wordt gezocht, op de een of andere vreemde manier blijkt hij nergens te vinden.

Niet in al dat geld dat wordt uitgegeven aan superluxe schoolgebouwen en andere prestigeprojecten. Niet in die jaarlijkse 4 tot 5 miljard kostenoverschrijding in ICT-projecten van de overheid. Het bleek onvindbaar in die 3,1 miljard overschrijding in de bouw van de Amsterdamse metro. Het is ook niet te vinden in die meer dan 120 miljard die we in een paar weken tijd vrij wisten te maken om sjoemelende bankiers uit de nood te verlossen, niet in de 20 miljard die we aan de Grieken gaven, en zelfs niet in de 1400 miljard die we kregen van de ECB.

Op de een of andere vreemde manier blijkt die 3 miljard zich erg goed verstopt te hebben terwijl hij toch zo dringend nodig is. Waar is hij? Individuele Nederlanders zoeken er ondertussen hard naar. Wat zou het helpen als niet alleen individuen zochten, maar als grote maatschappelijke organisaties dat ook zouden doen. En niet alleen met kerst… Maar dat vinden ze niet hun taak. Niemand vindt het meer zijn taak…

Mijn moeder ging liggen, lang uitgestrekt. Haar mond viel zachtjes open, en toen ik het huis uit sloop keek ik nog eenmaal naar haar, dat kind van 84 jaar dat nog steeds moest huilen om een ingepakt potlood. En ik moest denken aan al die kinderen die ik nu niet ken, die ik nooit zal kennen, maar waarvan ik één ding weet: dat ze hun armoede en vernedering nooit zullen vergeten. Alleen al in mijn stad Groningen zijn er zo’n duizend kinderen die zijn aangewezen op de Voedselbank. Waar is hun recht op voedsel, veiligheid, gelijke kansen?

Ik sloeg de kamerdeur achter me dicht. Niet veel later had ik geen moeder meer. Zwijgend keek ik haar oude fotoboeken door. Ooit was ze een gelukkig kind geweest. Tot die verdomde rotoorlog.

En ik moest denken aan die boom daar in het Bevrijdingsbos in Groningen. Op het pad met de 10 kinderrechten. Heeft Groningen nog wel recht op zo’n pad? Heeft het wel recht op zo’n boom? Als er duizend kinderen moeten leven van de liefdadigheid van anderen?

Ik moest wat doen, maar wat? Maar wat doe je als machteloos individu, als organisaties het niet doen? Als er volgend jaar weer zo’n actie voor de Voedselbank nodig is, omdat die 3 miljard zich nog steeds verstopt weet te houden in de gigantische bedragen die we over de balk smijten?

‘Eigenlijk moet ik dan gewoon die verdomde rotboom omkappen,’dacht ik. Maar ja, dat staat niet gezellig en zo’n actie zou waarschijnlijk alleen negatief worden uitgelegd.

Dus plant ik er zelf volgend jaar – als het dan nog nodig is – een toepasselijke boom naast: een treurwilg. Een boom die treurt om de voortdurende schending van de kinderrechten in ons land, in mijn stad. En ik zet er een bordje bij: namens Lydie Meijer: 20-08-1931 –  30-10-2015. Iedereen mag meedoen.

Ik weet het: een machteloos gebaar, maar wat anders kan je doen?

10. Recht op een eigen mening

 

Advertisements