Tegen het cynisme van Jouke van Dijk. Schrijven we mensen boven de 50 jaar echt af?

Jouke van Dijk in het Dagblad van het Noorden.

Volgens hoogleraar Jouke van Dijk zijn banenplannen voor ouderen zinloos. In een artikel in het Dagblad van het Noorden van 8 juni 2017 pleit de hoogleraar Regionale Arbeidsmarkt er voor dat onze overheid werkzoekende vijftigplussers rigoureus moet afschrijven. De overheid dient zich niet langer in te zetten voor werkgelegenheid voor vijftigplussers, maar moet zich uitsluitend richten op jongeren. “Dan voorkom je een verloren generatie.”

Pardon? Moeten we het in Nederland normaal gaan vinden dat mensen die op de helft van hun arbeidzame leven staan, totaal worden afgeschreven? Dat je na vijfentwintig jaar werken zo’n vijfentwintig jaar in een uitkering zit? Dat mensen die graag willen werken, in de bijstand worden gedropt? Waar ze dan vervolgens worden bespot en uitgemaakt voor ‘lui,’ niet alleen door figuren als Jinek en Jantje Smit, maar ook door onze eigen premier?

In Nederland gaat het nu om zo’n 100.000 mensen in een WW-uitkering. Daarnaast gaat het om een eindeloze groep ZZP’ers; dagloners die niet meer durven hopen op een normale baan. En uiteindelijk om ons allemaal, want iedere Nederlander wordt ooit 50-plus. Ik merk het vaak als ik met mensen praat – zo’n hoogleraar met z’n vaste baan is natuurlijk een uitzondering – : werkende ouderen voelen zich opgejaagd wild.

Verloren generatie

Die verloren generatie voorkom je trouwens niet, die is er al lang. Ik ben er een lid van. We kwamen op de arbeidsmarkt in de jaren 80, toen studerende jongeren elkaar vroegen ‘waar word jij later werkeloos in?” Dat zijn die vijftigplussers van nu, die je volgens Van Dijk (weer) aan hun lot moet overlaten. Eerst tien jaar lang vrijwilligerswerk, daarna met veel moeite in de aantrekkende arbeidsmarkt van de jaren 90 toch aan het werk, om vervolgens weer gedumpt te worden. Wij van de ‘lost generation’ herkennen elkaar altijd meteen. Je hele leven van baantje naar baantje, lage lonen en geen pensioenopbouw. En altijd als er gereorganiseerd moet worden word jij er – met hulp van de vakbond – volgens het principe ‘last in, first out’ –  als eerste weer uitgekieperd, hoe hard je ook gewerkt hebt om je baan te houden.

Tot je die bepaalde leeftijd bereikt, waarop niemand je meer wil hebben. En die maximum leeftijd wordt steeds lager. Ik ken overheden en hogescholen waar het beleid is dat men al niemand van boven de 35 jaar meer aanneemt (dat zegt men natuurlijk niet hardop). Er zijn mensen van mijn generatie die er wel in geslaagd zijn om een vaste baan te vinden. Maar ook voor hen geldt dat werkgevers altijd wel weer een excuus vinden om ze te ontslaan en te vervangen door jongeren. Ik ken legio grote organisaties waar alle vijftigplussers er systematisch uit zijn gewerkt.

Werkgevers zitten te springen om jongeren

Jarenlang zijn er in veel beroepsgroepen veel te veel jonge mensen opgeleid. En dat gebeurt nog. Ik las laatst voor het eerst een advertentie van een hogeschool die er eindelijk openlijk voor uitkwam. ‘Studeer journalistiek, want werkgevers zitten te springen om jonge mensen!’ Dat klopt: omdat die werkgevers er massaal vijftigplussers uit proberen te werken. Docenten en opleidingen zijn in een poging om hun eigen baantje te redden kennelijk alle schaamte voorbij.

Dat het arbeidsmarktbeleid voor ouderen niet werkt, daar heeft Van Dijk natuurlijk gelijk in. Dat komt omdat er geen arbeidsmarktbeleid voor ouderen is. Er is een arbeidsmarktbeleid tégen ouderen. Natuurlijk, er zijn sollicitatiecursussen. En er is een oud-voetballer die peptalks houdt in grote zalen om ‘vooroordelen van werkgevers over ouderen weg te nemen.’ Maar zolang de overheid de veelgevraagde jongeren op de arbeidsmarkt veel te goedkoop houdt, en veel te veel jongeren opleidt voor beroepen waarin werk schaars is, maak je als vijftigplusser weinig kans. Voeg daarbij dat bedrijven in de gelegenheid zijn om werkzoekende jongeren uit te buiten – vaak met medeweten van belastingdienst, vakbond enz,- door ze eindeloos stage te laten lopen, freelancewerk aan te bieden voor uitbuittarieven, en ze fulltime te laten werken tegen parttime betaling/contracten.

Eindelijk nuttig werk

Wat moeten die vijftigplussers zonder werk en inkomen volgens Van Dijk dan gaan doen?

“Ouderen moeten in de gelegenheid worden gesteld om nuttige dingen te doen voor de samenleving. Ze moeten niet meer worden lastig gevallen met de sollicitatieplicht.’’ En zinvol werk is er genoeg. ,,Denk eens aan al die bejaarden in de verzorgingshuizen die verlegen zijn om een praatje,of wat aandacht. Er zijn in ons land 4,3 miljoen mantelzorgers, van wie 730.000 meer dan acht uur per week zorg verlenen. Er zijn zo veel nuttige taken in de samenleving.’

Pardon? In Nederland schijnt een groot tekort aan vakkrachten te zijn. De beschikbare jongeren leiden we echter op tot heel andere beroepen, bijvoorbeeld tot journalist (er zijn in Nederland steeds meer opleidingen tot journalist, terwijl de beroepsgroep sterkt krimpt). De vijftigplusser kan vervolgens worden ontslagen en eindelijk iets nuttigs voor de samenleving gaan doen, bijvoorbeeld in de verzorgingstehuizen aan de slag, als ik Van Dijk goed begrijp. Mis ik iets?

Waarom leiden we die jongeren niet meteen op voor nuttig werk als ‘vakkracht’ of in de verzorgingstehuizen, zodat de ouderen in hun eigen beroep kunnen blijven werken? En hoe betaal je die ouderen – en hun omscholing – als ze in verzorgingstehuizen werken? Of wil Van Dijk werkelijk dat die ouderen in de zorg werken Met Behoud van Bijstand, een uitkering die ze pas krijgen nadat ze eerst hun eigen huis hebben opgegeten? Een bijstand waarvan je nauwelijks kunt rondkomen, en zonder vakantiegeld, want in de bijstand heb je immers altijd vakantie? En daarna in een AOW zonder aanvullend pensioen?

Te oud

Trouwens, ik best in de zorg aan de slag willen. Ik heb me zelfs ooit aangemeld voor zo’n opleiding. Probleem was dat ik werd afgewezen. Ik was toen 22 jaar. En dus te oud.

( ps. Misschien begrijp ik er allemaal niets van of is Van Dijk verkeerd geciteerd. Maar als dat niet het geval is, dan lijkt het me tijd voor een hoogleraar Regionale Arbeidsmarkt met een frisse blik. U weet wel, zo’n getalenteerde jongere (wat zijn er daar tegenwoordig toch veel van!) die het hele vakgebied eens lekker op de schop neemt en komt met een samenhangende visie op  ‘de toekomst van werk.’ Of laten we het over aan Google?)

 

 

 

 

 

Laat Google alsjeblieft onze arbeidsmarkt aanpakken!

Wat zou er gebeuren als je Google onze arbeidsmarkt zou laten herontwerpen? Die gedachte kwam vrijdag 23 juli bij me op. Ik ben toen naar De Digitale Werkplaats geweest. Onder deze naam hield Google een week lang inspirerende workshops in De Wolkenfabriek. Een toepasselijke plek voor een bedrijf dat wil dat we allemaal in de Cloud gaan werken. Vrijdag gingen de workshops over zoeken naar werk. Aan de orde kwamen Het belang van online zichtbaarheid, Personal Branding, en Slimmer samenwerken in de Cloud.

De Wolkenfabriek in Groningen. Foto: Marco in ‘t Veldt

Ondanks alle inspiratie bleef ik – en de nodige andere 45-plussers met mij – na afloop zitten met een vreemd gevoel. Want wat heb je aan al dat zelf profileren en marketen, als je niet wordt afgerekend op wat je kan, maar op één getal: je leeftijd. Uitgerekend diezelfde dag was er in de Telegraaf namelijk nog weer eens te lezen dat er voor werkzoekenden van boven de 45 jaar weinig hoop is op de arbeidsmarkt. Kans op het vinden van werk: 3%. Het gevolg van Nederlands regeringsbeleid.

Google in de Wolkenfabriek in Groningen

U kent de Nederlandse arbeidsmarkt wel: irrationaliteit ten top. Opleidingen die opleiden voor beroepen waar geen werk in is, vs. een tekort aan vakkrachten. Lonen die weinig of geen verband meer lijken te houden met de inhoud van het werk. Mensen die (veel te) lange reistijden maken om op hun werk te komen. Werkenden die de werkdruk niet aankunnen, vs. 1 tot 2 miljoen mensen die geen of onvoldoende werk kunnen vinden. We leiden massaal mensen op die vervolgens slechts een jaar of 20 kunnen werken, waarna ze tussen vanaf hun 45e tot aan hun (steeds latere) dood te oud voor de arbeidsmarkt zijn. Werken doe je eigenlijk vooral tijdens je studie. Het zou toch allemaal veel beter moeten kunnen als je er een slim systeem op loslaat?

Laat Google de arbeidsmarkt herinrichten

Dat riep bij mij de vraag op: hoe Google dat zou doen? Hoe zou de Nederlandse arbeidsmarkt er uit zien als Google die mocht inrichten? Op dezelfde manier als de BV Nederland nu? Nee, natuurlijk niet.

Hoe Google de arbeidsmarkt zou aanpakken, weten ze zelf natuurlijk ook nog niet. Dat zouden ze moeten bedenken, in lekkere leunstoelen, teams die samenwerken in de cloud, onder het drinken van gezonde vruchtensapjes. Maar ik ben er van overtuigd dat ze met een geweldige oplossing zouden komen. Ik ga er van uit dat Google een rationele afstemming zou maken tussen beschikbaar werk en werknemers, en daar een prachtig Kunstmatige-Intelligentie-systeem voor zou ontwikkelen, zodat werk, werktijden, werknemers en (om)scholing perfect op elkaar aansluiten. Intern doet het bedrijf er nu al alles aan om haar personeel optimaal te laten functioneren en het beste uit werknemers te halen, via gestandaardiseerde procedures die voortdurend worden geoptimaliseerd.

Anouk de Jong van Google.

Wat Google zeker niet op prijs zou stellen, is dat haar werknemers na iedere afgeronde klus maanden of jaren door het bedrijf moesten leuren om nieuw werk te vinden, en zelfs trainingen en cursussen moesten volgen om een baan te vinden. Of dat alle werknemers van boven de 45 niets meer mochten uitvoeren. Al die verspilde tijd en energie! Klus afgerond? Dan meteen een nieuwe!  Met de rationaliteit van Google zou er voor iedereen een optimale plek worden gevonden. In no time zou de Nederlandse economie booming zijn, terwijl iedereen fluitend naar het werk gaat.

Ronald de Jong van de gemeente Groningen bij Google. Foto: Marco in ‘t Veldt

Voorbeeld. Onze regering laat arbeidsongeschikte mensen goedkeuren. Die kunnen volgens de regering bijvoorbeeld brugwachter worden. Maar vervolgens gaan alle banen voor brugwachters naar gezonde mensen. Nadat je bent goedgekeurd word je dus gedumpt in de bijstand! Wat is daar de logica van? Dat probleem zal in de nabije toekomst trouwens alleen maar groter worden, want steeds meer ziektes worden chronisch in plaats van dodelijk.

Ik denk dat Google banen en werkuren rationeel zou verspreiden, en ook de beloning zou rationaliseren. Zo’n soort systeem zoals Uber gebruikt voor haar variabele taxitarieven, en om alle passagiers te koppelen aan de meest nabije lege taxi. Bijvoorbeeld: mensen met 3 jaar ervaring zijn erg gewild op de arbeidsmarkt dus verdienen veel, mensen met veel ervaring wat minder.  Of: ouders met kinderen maken kortere werkdagen, zodat er werk vrij komt voor 45-plussers die de hele dag kunnen wijden aan hun baan. Het systeem houdt bovendien de levensverwachting per beroep bij. Mensen die zwaar werk doen, verdienen dan meer maar bouwen minder pensioen op, want ze gaan immers vroeg dood.  Je verdient minder en betaalt meer pensioenpremie als je licht werk doet waar je oud bij wordt (nu is het vreemd genoeg andersom). En natuurlijk: het systeem stemt de grootte van opleidingen af, op het aantal beschikbare banen in de beroepen.

Als bedrijf heeft Google zelf een zeer geavanceerd werving en selectiebeleid, zodat het alleen de beste van de beste mensen aan neemt, en hun kwaliteiten optimaal benut. De gevolgen kennen we. Een geweldig bedrijf dat geld verdient als water. Maar wat gebeurt er met de mensen die worden afgewezen door Google?

Die moeten maar ergens een regering gaan vormen. En zo strompelen we als Nederland nog jaren voort met regeringen die de boel van kwaad tot erger laten gaan. Die een werkeloze oud-voetballer peptalks laten geven in zalen vol 45-plussers, en de illusie koesteren dat ze daarmee de ouderenwerkeloosheid oplossen. Tenenkrommend!

Dus Google alsjeblieft: help ons! Help ons van deze regeringen af die geen logische beslissingen kunnen en willen nemen. Herontwerp onze arbeidsmarkt! Met kunstmatige intelligentie, Machine Learning, of doe het desnoods in de Cloud, want zouden niet alle mensen in de wolken zijn, als jullie iedereen aan een baan helpen?

ps. Ik voorzie slechts één probleem als Google ons land gaat herinrichten. Dan zitten we binnenkort met zijn allen in Dublin. Belastingtechnisch voordeliger.

ps. 2. Bekijk vooral mijn LinkedIn.

Ede Abraham Zeilinga (1848-1918) en 2 eeuwen zeilmakerij Zeilinga. Deel II: Groningen

Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Op de hoek Prins Hendrikkade 120, ooit Zeilmakerij Zeilinga, nu het Four Seasons Hotel.

(Hier vindt u deel I over het onstaan van de zeilmakerij Zeilinga)

Feye Zeilinga begint in 1839 een zeilmakerij aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam, die in veranderde vorm tot het jaar 2000 zal bestaan.  Het is een voortzetting van de familietraditie die ooit begon op Schiermonnikoog (zie deel I).

Feije wordt niet oud. Hij sterft in 1866 op 55-jarige leeftijd. Zijn eerste vrouw is al acht jaar eerder overleden, in 1858.  Twee jaar na haar dood, hertrouwt Feije met Catharina Wilhelmina Hattink. Met haar krijgt hij geen kinderen in de zes jaar dat ze samen zijn. Als Feije sterft, heeft hij twee zoons om hem op te volgen. Zijn oudste zoon Jan Jurgen is dan vierentwintig en werkt al in de zaak. Zijn jongste zoon Ede Abraham is net achttien geworden.

 

Inschrijving bij de gemeente Amsterdam  Gelderse kade van gezin F. Zeilinga

Vier jaar voordat Feije overlijdt, begint al een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van zeilmakerij Zeilinga: dat van zijn zoons. Amsterdam pocht er graag op dat het een grote zeehaven is, maar in de negentiende eeuw speelde zich een belangrijk deel van de scheepsbouw af in Groningen. Daar werden meer schepen gebouwd dan in Amsterdam. Ze zijn er doorgaans wel een stuk kleiner, maar toch, het is een markt die de moeite waard is.

Scheepvaart van Groningen

De Groningse scheepsbouw is ontstaan uit de ontginning van veengebieden. De Groninger Veenkoloniën, met plaatsen zoals Hoogezand, Sappemeer, Veendam en Oude en Nieuwe Pekela, hebben behoefte aan schepen om de turf te vervoeren. Daaruit ontstaat een scheepsbouw die nog steeds bestaat. Die scheepsbouw heeft wel een probleem: zij vindt plaats aan kanalen ver van de kust. De kanalen zijn te smal, de bruggen te laag. Er vindt een voortdurend gevecht plaats waarbij de scheepsbouwers strijden voor betere faciliteiten. Ze hebben één pech: ze zitten ver van het centrum van de macht.

Amsterdam wordt in de negentiende eeuw ook een onmogelijke haven. Het IJ slibt dicht en voor de haven ligt voortdurend een grote zandbank. Vlissingen of Harlingen lijken haar rol over te nemen omdat het veel betere havens zijn. Maar omdat in Amsterdam de macht zetelt, worden er gigantische kapitalen vrijgemaakt om er voor te zorgen dat de haven via een kanaal rechtstreeks toegang krijgt tot de Noordzee. In Groningen zullen nog lang alle nieuwgebouwde schepen uit de Veenkoloniën de Noorderhaven in Groningen moeten passeren op hun weg naar de zee. Pas daar kunnen ze worden voorzien van masten, tuigage en zeilen.

Groningse scheepsbouw: de Fennegiena uit Veendam, in 1856 geschilderd door Jacob Spin. Let op, hoe dit schilderij qua compositie lijkt op dat van de Piet Hein, zelfs de bemanningsleden staan hetzelfde. Collectie Kapiteinshuis Pekela.

De Groningse markt is er een, die de Zeilinga’s niet aan hun neus voorbij willen laten gaan. De stad Groningen ligt aan het eind van de Hondsrug op de plek waar de Drentse Aa en de Hunze bij elkaar komen. Water genoeg. De stad is omgeven door kanalen en havens die zich vullen met het water uit de twee beekjes. De Noorderhaven is in die tijd de belangrijkste voor de zeevaart. De haven heeft dan nog een min of meer open verbinding met de zee, via het Reitdiep, en kent dan nog eb en vloed. Sluizen zorgen dat het brakke water niet verder de stad ingaat.

De Noorderwerf rond 1640 op de kaart van Haubois.

Ten noorden van de Noorderhaven, tegen de stadswal bij het Reitdiep aangeklemd, ligt als sinds onheugelijke tijden een scheepswerf. Ooit werden er schepen voor de West-Indische Compagnie gebouwd. Op 5 juli 1850 wordt er de Firma Kater en Meulman, opgericht. Kater is scheepsbouwer. Meulman is grofsmid. De twee gaan een samenwerking aan met de kennelijke bedoeling om (ook) ijzeren schepen te bouwen. En niet alleen ijzer maar ook nog stoom. De nieuwe tijd!‘

Uit ‘Turfschippers en kustvaarders’ van Ingrid Wormgoor:

De eerste die zich bezighield met stoomschepen was de Groningse smid albertus Meulman. Hij repareerde de kanaalstoomboot Lieut. Adm. Tjerk Hiddes en verlengde haar met zes voet. In 1850 maakte deze boot een proefvaart naar Zoutkamp en vervolgens werd ze ingezet tussen Stroobos en Lemmer. Mogelijk maakte dit kunststukje indruk op scheepsbouwmeester Klaas Kater die kort tevoren vanuit Amsterdam naar Groningen was gekomen. Kater moet in Amsterdam al kennis hebben gemaakt met de nieuwste technieken van stoom en ijzer. In elk geval maakten Kater en Meulman drie maanden later bekend dat zij een vennootschap hadden opgericht onder de naam Kater en Meulman. Het doel was ‘aannemen, afleveren, bouwen en herstellen van schepen en het uitoefenen van alle werkzaamheden die op een scheepstimmerwerf kunnen worden uitgeoefend,’ gevestigd op de Noorderwerf in Groningen.
In 1854 werd er het eerste ijzeren schip van de provincie gebouwd, de barge Sophia.
De Noorderwerf is een grote werf met meerdere hellingen, en het was de eerste werf voor ijzeren schepen inde provincie. Tot de verkoop en sluiting van de werf in 1873, bleef het gedeelte voor houten schepen in bedrijf. In 1859 kreeg Kater vergunning om vier nieuwe ‘woonkamers’ te laten bouwen. Twee daarvan zouden dienen als werkplaats van de smederij op de timmermanswerf. Vermoedelijk was deze uitbreiding nodig voor de bouw van deze schepen.

In elk geval krijgt de werf een grote opdracht waarvoor ongeveer honderd arbeiders een jaar lang aan het werk waren. De Oprechte Haarlemmer Courant meldt op 13-12-1860:

Op 9 december vertrekken van Groningen naar de Zoutkamp Zr. Ms. Stoomflottille-vaartuigen Delfzijl en Stavoren, gebouwd op de Noorderwerf van den heer K. Kater, te Groningen, om van daar naar het Nieuwe Diep te stoomen, en waarschijnlijk aldaar verder opgetuigd te worden. Deze belangrijke onderneming heeft op de werf van den heer Kater aan ruim 100 arbeiders een jaar werk verschaft.
Maar stoom heeft het pleit helemaal nog niet gewonnen. Sterker nog: het zal nog lang duren tot de ijzeren schepen het bouwen in hout helemaal hebben verdreven. IJzer lijkt mooi, maar het is nog niet zo eenvoudig om grote ijzeren platen te maken en die op een degelijke manier aan elkaar te verbinden. De eerste ijzeren schepen blijken in het begin dan ook vaak flink te lekken. Veel kapiteins en reders nemen daarom liever het zekere voor het onzekere, en kopen liever iets dat oud en vertrouwd is. Het bouwen van houten zeilschepen gaat dus nog geruime tijd door.

 

In 1862 komt er een zeilmakerij aan de Noorderhaven in Groningen te koop.  H.B. Onnes verkoopt zijn bedrijf. Het zijn de kavels I en IV die interessant voor ons zijn:

Zeilmakerij aangeboden door H.B. Onnes

Ten overstaan van mr. JW. Quintus, notaris te Groningen, zullen op dingsdag 21 januari 1862 des avonds 7 uren, ten huize van koffijhuishouder J.E. Tiddens in het huis de Beurs te Groningen publiek verkocht worden:

I Eene ruime behuizing, get. I230, hebbende een bovenwoning met rojalen vrijen opgang, zijnde van eene van ouds zeer wel beklante Zeilmakerij, staande en gelegen aan de zuidzijde aan de Noorderhaven te Groningen. (De omschrijving van nrs. II en III  laat ik hier weg.)
IV Eene groote overdekte Lijnbaan en Zeilentanerij met daarbij behorende gebouwen en gereedschappen voor machinaal touwwerk, gelegen bijlangs den stadswal, bij de Leliestraat, te Groningen.
Hermannus Barteld Onnes (1807-1863) is eerder al naar Arnhem verhuist waar, hij in 1855 een drukkerij begon. Hij overlijdt een jaar later, in 1863, maar zijn drukkerij bestaat in onze tijd nog altijd.

Kadasterkaart van blok maar daarin de zeilmakerij Noorderhaven ZZ nr 48

Als ze de advertentie lezen gaan de Zeilinga’s tot actie over. Op 23 april 1862 wordt de minderjarige zoon Jan Jurgen door Feije ‘wettelijk handligting’ verleend tot uitoefening van het beroep van zeilenmaker en touwslager te Groningen. De eenentwintigjarige Amsterdammer krijgt toestemming van zijn vader om voor zichzelf te beginnen in het verre Groningen.
Net zoals de aankomst van de mensen uit Schiermonnikoog in Amsterdam een cultuurschok moet zijn geweest, moet de verhuizing voor Jan Jurgen een enorme overgang zijn geweest. Groningers praten in die tijd nog onvervalst Gronings, onverstaanbaar voor veel reizigers uit Holland. Gelukkig staat Jan Jurgen er niet alleen voor. De zaken zijn zo geregeld dat hij gaat samenwerken met Klaas Kater van de Noorderwerf. Dat geeft hem niet alleen een vaste klant, maar ook herkenning, want Kater komt ook uit Amsterdam.

Kadasterkaart zuidzijde Noorderhaven. Zeilmakerij rechts in het middelste blok.

Op 1 mei wordt de akte getekend waarmee hij met Kater in zaken gaat. In 1862 woont Jan Jurgen in Groningen en maakt hij in de krant bekend dat hij met Klaas Kater in zaken gaat. De heren bevelen zich nog eens aan bij de oude klanten van de bekende zeilmakerij Onnes via een krantenadvertentie:
(9 mei 1862) Dezelve beleefdelijk aan diegenen aanbevelende, welke de vorige firma hebben begunstigd, alsmede aan diegenen, die de tegenwoordige met hunne gunst mogten willen vereeren, zullen zij trachten door eene soliede bediening het vertrouwen te verwerven. Met het TANEN en ZEILEN zal in de volgende week een aanvang worden gemaakt. I.J. Zeilinga (sic) & Co, Zeilmakers. Zeilinga & Co, touwslagers en Zeilentaanders.

Tanen
Uit de advertentie blijkt dat Kater en Jan Zeilinga ook een taanderij hebben. Tanen is in die tijd werk dat vaak samengaat met zeilmaken. Ook de zeilmakerij Zeilinga in Nieuwendam heeft een taanderij. Zeilen en scheepstrossen worden in die tijd nog gemaakt van natuurlijk materiaal dat snel vergaat, soms al binnen enkele weken. Om de levensduur te verlengen worden ze getaand. Het tanen deed men met cachou, en kernhoutextract van de tropische Acaciaboom, en voor 1850 met een aftreksel van eikenschors.
Dit tanen van netten, touwen en zeilen door de vissers van de vissersvloot van de Zuiderzee en Noordzee gebeurde tot 1960 een aantal malen per jaar . Een zeil of net ging dan i.p.v. 1,5 tot 2 jaar , wel 10 tot 12 jaar mee. Het tanen was vies werk. Het gevolg was dat aan boord van zo’n schip alles bruin was: de touwen , de zeilen , de netten , de kleding , de klompen , de koffie , de getaande koppen van de bemanning etc.

Inboedel Zeilmakerij
In de akte van verkoop, vind ik de omschrijving van de hele inboedel van de zeilmakerij en de touwslagerij. Mij als leek zegt de hele lijst met voorwerpen niet zoveel, maar het lijkt een complete inventaris waarmee je zo aan het werk kunt. Volgens de toen gangbare procedure werd de akte lal van tevoren opgesteld door de verkopende partij samen met de notaris. Vervolgens vond er een veiling plaats in een bekende horecagelegenheid. Daar konden kopers zich melden en tegen elkaar opbieden. Tenslotte werd ter plekke de koop gesloten en hoefde de koper alleen nog maar zijn handtekeningen te zetten naast die van alle betrokken partijen.

Vismarkt Groningen met het gele gebouw links naast/achter op de hoek bij de Korenbeurs: Huize de Beurs. foto: Marco in ‘t Veldt

In dit geval gaat vindt de verkoop plaats in het bekende Huis de Beurs aan de Vismarkt, dat nog altijd bestaat. In de akte is ook te lezen dat het Klaas Kater was die de koop ondertekende namens Zeilinga. Aannemelijk is daarom, dat Kater een vriend of bekende was van vader Feije Zeilinga, en dat vader de koop liever liet sluiten door een wat oudere vriend ter plekke, dan door zijn nog jonge zoon. Kater werd in 1827 geboren in een familie van scheepsbouwers uit Monnickendam. Hij werkte in 1848 in Nieuwendam als scheepstimmerman, dus daar zullen Feije en Klaas elkaar van gekend hebben.

Met de koop, wordt de zeilmakerij in Groningen onderdeel van de firma F. Zeilinga. Op 17 maart 1862 dient Zeilinga, F. een aanvraag in voor toestemming voor reparatie voorgevel op adres Noorderhaven I 230.

Gevelontwerp gemaakt voor Wickenhagen na verkoop door Zeilinga

In eerste instantie ben ik in de war geweest met de lokatie van de zeilmakerij.  De Noorderhaven is omgenummerd, en pas bij een tweede keer zoeken kom ik er achter dat er meerdere keren is omgenummerd. Uiteindelijk blijkt me, dat de zeilmakerij gevestigd is geweest op wat nu Noorderhaven Zuidzijde 48 en 48a is. Tegenwoordig is dat een herenhuis met een statige voorgevel. De huidige gevel stamt echter niet uit de tijd van Jan Jurgen en Ede, maar is pas door de volgende eigenaar (B.J. Wickenhagen) aangebracht.

Het geelgeschilderde pand is Noorderhaven 48/ 48 a.

Noorderhaven 48(a) is een hoog smal diep pand, dat helemaal doorloopt naar de Hoekstraat, aan de achterkant. Aan de voorkant heeft een grote takel in de gevel gezeten, zie ik op oude foto’s.

Laden en lossen bij Noorderhaven rond 1900. Pand 48 heeft dan nog een takel in de nok.

Aan de achterkant is een grote deur, nu een soort garagedeur. De indeling van het huis laat zich zien in oude bouwtekeningen. Er was woon- en kantoorruimte en een pakhuis. Ik neem aan dat er op de zeilmakerij op de begane grond was. Aan foto’s van blok- en mastmakerij Douwes -even verderop – is te zien dat er ook wel op straat gewerkt werd als dat handig was. Dat kon, want het drukke autoverkeer was er nog niet. De zeilmakerij was – denk ik – aan de achterkant gevestigd bij de grote garagedeur. De bewoners zullen op de eerste verdieping zijn gehuisvest geweest. Volgens de omschrijving in de verkoopadvertentie heeft het pand een bovenwoning ‘met roijalen vrijen opgang.’ Daarboven werd het pand mogelijk nog pakhuis gebruikt, vandaar de takels.

Achterzijde van de zeilmakerij aan de Hoekstraat tegenwoordig. Foto: Marco in ‘t Veldt

Ik probeer voor te stellen hoe die verkoop plaatsvond. Het is 1862. Huize de Beurs, vol knauwerig Gronings sprekende mannen. Het is er rokerig. Enigszins argwanend kijken de Groningers naar die twee vreemdelingen.  ‘Dat zint Amsterdammers. Die ene heeft de werf gekocht, en nu…’

Kastelein Tiddens brengt de glazen rond. Op het podium zit meester J.W. Quintus om de verkoop te leiden. Hij komt uit een plaatselijk bekend geslacht van notarissen. En dan gaat het bieden beginnen. De zeilmakerij is eerst. Daarna de herenbehuizing, een pakhuis, de lijnbaan. Op het laatst zijn de helften van twee trekschuitverbindingen aan de beurt.

Jan Jurgen en Klaas hebben de zeilmakerij de dag tevoren gezien. Tegen betaling van 10 cent voor de armen konden ze een kijkje nemen in het huis, de zeilmakerij en de touwslagerij. Daar staat ook de inboedel die ze er verplicht bij moeten kopen. Is het wat waard, hebben ze er wat aan? Over personeel wordt in de advertentie niet gesproken maar dat moet er geweest zijn. Een zeilmakerij en lijnbaan drijf je niet in je eentje, want het is arbeidsintensief werk. De arbeiders kijken enigszins argwanend. Wie zouden de kopers worden? Zouden ze hun baan houden bij die nieuwe eigenaar?

Noorderhaven, in het midden de voormalige zeilmakerij. Foto: Marco in ‘t Veldt

De Noorderhaven moet in die tijd een prima plek zijn geweest voor een zeilmakerij. Daar kwamen de meeste zeeschepen die de stad bezochten. Er waren altijd zeilen te repareren. Bovendien werden de nieuwe schepen die gebouwd waren in de Veenkoloniën er afgebouwd en van masten, zeilen en tuigage voorzien. En dan: er waren twee scheepwerven vlak in de buurt. Net buiten de stadswallen lag de Buitenwerf. Die was eigendom van Emmo Hoites Meursing, familie van de Meursings die schepen bouwden in Nieuwendam en Amsterdam. En nog dichterbij, net binnen de stadswallen dus de Noorderwerf, die nu van Klaas Kater was.

Rechts de Hoek van het Ameland, met op de achtergrond de loodsen van de (voormalige) Noorderwerf

Dat de aankoop van de zeilmakerij van Onnes gebeurde door Klaas Kater, suggereert dat diens Noorderwerf vaste klant van Zeilmakerij Zeilinga zou worden. De Noorderwerf lag immers vlakbij, aan de overzijde van de Noorderhaven.

Waar lag die werf? Wie tegenwoordig op de kaart van Groningen kijkt, ziet dat daar tegenwoordig de Werfstraat ligt, genoemd naar de Noorderwerf. De werf lag er pal aan de oude stadswal, die nu is veranderd in het Noorderplantsoen. Er zijn nog oude foto’s waarop de werf te zien is. Zij was toen al niet meer in bedrijf, maar de loodsen van de werf werden gebruikt als opslag voor brandstof. De stadswallen zijn links op de foto duidelijk zichtbaar, al zit er geen poort meer in.

Maar waar lag nu die touwslagerij die werd gekocht? De omschrijving lijkt niet erg nauwkeurig. ‘Langs de stadswal bij de Leliestraat.’ Ik verwacht een moeilijke zoektocht, maar op de kaart van het kadaster blijkt het gemakkelijk. Er is slechts een rood vakje op de stadswal, op Dwinger 10, die nu onderdeel is van het Noorderplantsoen. De touwslagerij blijkt pal achter de Noorderwerf te hebben gelegen. Dat maakt het plaatje compleet: Kater en Zeilinga samen in zaken en als buren.

Ligging Touwslagerij De Nijverheid, Noorderwerf en Zeilmakerij Zeilinga, door mij aangegeven op een kadasterkaart.

Een jaar na de overname van de zeilmakerij trouwt Jan Jurgen in Groningen. Op 23 april 1863 zegt hij ‘ja’ tegen Maria Hendrika Hindrichs uit Amsterdam. Het paar krijgt al snel een eerste kind: Anna Catharina Wilhelmina Zeilinga op 18 juli 1865. Maria overlijdt kort daarop, op 28 november 1865. Ze werd slechts 21 jaar oud. Jan Jurgen staat er weer alleen voor.
In de tussentijd heeft hij – op 29-9- 1864 – een vennootschap voor Touwslagerij en taanderij van zeilen opgezet met F. Zeilinga (Amsterdam) , onder de naam Zeilinga & comp., te Groningen.

F. Zeilinga als (bijzondere) Scheepsreder

Feije Zeilinga. Collectie Wim Zeilinga

Zeilmakerij F. Zeilinga groeit. Daarnaast gaat de zeilmakerij ook optreden als reder. De vermenging van activiteiten is nogal gebruikelijk. Ten dele is het risicospreiding of een poging om een graantje mee te pikken van een lucratieve markt. In 1862, als F. Zeilinga de rederij in gaat, is de markt voor schepen goed. Wat we bijvoorbeeld ook vaak zien, is dat scheepsbouwers zelf reder worden. Om dezelfde redenen, maar ook juist in economisch zwakkere tijden aan het werk te blijven. Scheepswerven zoals Meursing, worden reders van hun eigen schepen, als ze die op dat moment niet kunnen verkopen, zodat ze wel schepen kunnen blijven bouwen. Vaak ook hadden rijkere burgers parten in schepen. Vader Ede Abraham trad ook al op als ‘boekhouder’ van schepen, zoals de Maria Magdalena, in 1838, waarin Alderts vader Jacob ook een part had.

In 1860 richt zeildoekfabrikant en scheepsreder Pieter Hendrik Kaars Sijpesteijn een verzekeringsmaatschappij op: De Onderlinge Verzekering Maatschappij van Zeeschepen, gevestigd te Krommenie. Artikel 1 van de statuten stelt: “Deze maatschappij is een contract, waarbij de gezamentlijke deelhebbers elkander, een ieder naar eventredigheid van zijn deelneming, verzekeren voor totaal verlies van de in deze Maatschappij ingeschreven schepen.’

Feije Zeilinga wordt commissaris van de maatschappij, wat nog eens laat zien dat hij een belangrijke zakenpartner van Kaars Sijpesteijn was. Het is aannemelijk dat Feije – voordat hij zelf reder werd –  al parten in schepen had gekocht,  en daarom als commissaris gevraagd is. In artikel 24 wordt ‘de betrekkig van Directeur opgedragen aan den Heer Pieter Hendrik Kaars Sijpesteijn; terwijl als Commissarissen worden benoemd de Heeren F. Zeilinga, F. Jaski en L. P. Teensma, welke alleen wegens bewijzen van kwade trouw of grove veronachtzaming van de belangen der Maatschappij van die betrekking kunnen worden ontzet.’ (zie: Klaas Woudt, p. 132). De verzekering verzekerde zo’n 240 parten in schepen, met een totale waarde van zo’n 5 miljoen en bestaat zeker tot 1883.

F. Zeilinga is een beetje bijzondere reder, blijkt uit het jaarverslag 1864 -1873 van de Nederlandsche Vereniging tot afschaffing van sterken drank. Het verslag vermeldt de naam Zeilinga driemaal. Bij de eerste vermelding gaat het om ‘schepen die zonder S. D. aan boord varen. Boekh. F. Zeilinga.’
De afkorting S.D. staat uiteraard in dit verband om ‘Sterke Drank.’ In het hoofdbestuur van de vereniging zit A. Zeilinga Ez., oftewel kapitein Abraham Edes Zeilinga, de broer van Feije. Van hem is een fel pleidooi bewaard gebleven tegen het gebruik van sterke drank aan boord, volgens hem de oorzaak van de meeste scheepsongelukken. Dat er aan boord van sommige schepen flink gedronken werd, is inderdaad bekend. Verhalen van mannen die zo dronken zijn dat ze uit de mast vallen of zelfs het want niet in kunnen. Volgens Zeilinga kan het ook anders. Biedt de bemanning thee en koffie aan, in plaats van drank, en betaal een gulden meer gage.
Ook voor Feije is er een vermelding in het jaarverslag: ‘President (voor zeevarenden) F. Zeilinga Gelderse Kade 444.‘ Daarnaast wordt nog vermeld: Bestuurderen: Theseurier: A. Zeilinga, Zeedijk 10.’ De bestrijding van de drank gaat trouwens hand in hand met de verspreiding van het geloof. De heren zijn allemaal actief in de Afdeling Amsterdam van het Nederlandsch Bijbelgenootschap. De zeilmakerij in Nieuwendam zal nog tot in de jaren 20 of 30 dienen als plaats waar de Vereniging voor Geheel Onthouders bij elkaar komt.
In 1862, het jaar dat Jan Jurgen bij zijn vader in de zaak F. Zeilinga komt en in Groningen begint, laat de firma F. Zeilinga ook het eerste van vijf schepen bouwen. Dat gebeurt op de Groningse scheepswerf Ipe Annes Hooites in Hoogezand, waar kapitein Aldert Meijer in 1840 zijn Pieter Hendrik liet bouwen.

Anna Catharina Wilhelmina van F. Zeilinga, kapt. Grillk.

In 1862 wordt de galjoot van 132 ton te water gelaten. Jan Jurgen noemt het schip ‘Anna Catharina Wilhelmina.’ Kapitein wordt Gerrit Jacobs Grilk van Schiermonnikoog. Die voer vanaf 1849 op een kofschip Anna Catharina, dat in november 1861 verongelukte op de Trow Rocks. De Anna Catharina Wilhelmina blijft tien jaar in eigendom van F. Zeilinga, tot 1871. De eerste tocht, in 1863 gaat naar Belfast, maar daarna wordt er Rogge gehaald uit St. Petersburg, dat een vaste bestemming van de schepen van rederij F. Zeilinga blijft. Ook is een deel van de lading vaak bestemd voor zeildoekmaker P.H. Kaars Sijpesteijn.

De naamgeving van de Anna Catharina Wilhelmina is als volgt te verklaren. Het is een samenvoeging van de namen van de beide vrouwen van Feije Zeilinga. Feyes eerste vrouw heette Anna Catharina Berke (1819- 1858). Als zij overlijdt trouwt Feije in 1860 met zijn tweede vrouw, Catharina Wilhelmina Hattink (1829-1910). De beide dubbele vrouwennamen overlappen mooi, zodat het schip aan drie woorden genoeg heeft om naar beide vrouwen te worden vernoemd. Als Jan Jurgen drie jaar later in 1865 een dochter krijgt, vernoemt hij haar op dezelfde wijze naar de beide vrouwen.
Er volgen meer schepen. In 1863 koopt F. Zeilinga ‘De Vriendschap’ van reder Haaike Bakker van Schier. Het wordt in 1871 verkocht.

Fenna of Fennigje Scheltens, de tweede vrouw van Jan Jurgen Zeilinga. Collectie Wim Zeilinga

In 1866 laat F. Zeilinga door Meursing in Nieuwendam een galjoot van 148 ton bouwen dat wordt wordt vernoemd naar de tweede vrouw van Jan Jurgen. Het gaat Fenna Scheltens heten, naar de vrouw waar Jan in dat jaar mee trouwt. Haar naam wordt doorgaans als Fennigje Scheltens geschreven. Fennigje is een verkleinwoord van Fenna. Het schip verongelukt al drie jaar later, in 1869 onder gezagvoering van kapitein J.C Drenth.

De Fenna en Wilhelmina van F. Zeilinga

Het wordt de kapitein kennelijk niet aangerekend, want hij mag van 1871-1881 een nieuw schip varen, de Fenna & Wilhelmina,  dat nu weer naar twee vrouwen tegelijk wordt genoemd. De tweemastschoener is tien jaar eerder in 1861 gebouwd bij Bodewes in Sappemeer. Het wordt in 1881 in Penzance in het zuidelijkste puntje van Engeland aangevaren en verkocht. De Fenna en Wilhelmina is nog te zien op een schilderij dat Jacob Spin er in 1870 van maakte.
In de tussentijd heeft de firma nog een jaar lang een kleine tjalk van 35 ton uit 1844 in het bezit gehad. Tussen 1867 en 1868 voer de Jantje onder kapitein P.H. Piek.
Na 1881 stopt F. Zeilinga met de scheepsrederij. De reden daarvoor waarschijnlijk is de instortende economie voor de zeilvaart. Het bedrijf gaat nu optreden als agent van stoombootmaatschappijen, zoals we later zullen zien.

Reis naar Petersburg

Conservator Jeroen ter Brugge van Het Maritiem Museum Rotterdam, met voor hem het boekje van Ede Abraham Zeilinga. Foto: Marco in ‘t Veldt

Terwijl Jan Jurgen in Groningen werkt en vader Feije in Amsterdam, gaat jongere broer Ede Abraham Zeilinga in 1865 op reis met zijn oom Aldert Meijer. Ze varen met de brik Piet Hein naar St. Petersburg. Ede schrijft er in een klein notitieboekje in potlood een reisbeschrijving over. Achterin krabbelt hij wat Russische prijzen van touw enz. Waarom vaart hij mee met zijn oom, en niet op één van de schepen van zijn eigen familie, vraag ik me af nu ik weet dat zijn vader zelf meerdere schepen had. Is het voor de gezelligheid, of om de kunst af te kijken? In één van de brieven die kapitein Meijer aan zijn reder schrijft tijdens een andere tocht, vind ik de opmerking ‘Lina heeft het zo koud.” Lina, moet Meijers dochter Lollina zijn. Dat er familieleden meevoeren naar St. Petersburg is dus in ieder geval niet ongebruikelijk.

Ede Abraham Zeiliga 1848 jong

Ede Abraham Zeilinga (1848-1918) op jonge leeftijd. Collectie Wim Zeilinga

Ede naar Groningen

Ede Abraham Zeiliga 1848 middelbare leeftijd

Ede Abraham Zeilinga (18481918) als jongeman. Collectie Wim Zeilinga

Kort nadat Ede terug is in Amsterdam, overlijdt zijn vader. Feije sterft op 4 februari 1866 in Amsterdam.
Al snel worden de zaken zo geregeld dat Ede bij Jan in de zaak komt en dat hun pleegmoeder er niets meer mee te maken heeft. Ede gaat korte tijd later de zeilmakerij in Groningen voeren, en Jan gaat terug naar Amsterdam. De broers zitten met dezelfde rechten voor beide zeilmakerijen in de firma.

De Zeilmakerij in Amsterdam komt eerst korte tijd nog op naam van Jan Jurgen, maar korte tijd later beslist de rechter dan Ede ook handligting krijgt in verband met zijn leeftijd, en treedt hij toe tot de vennootschap met zijn vader, die hier per vergissing een keer Teije wordt genoemd. Dit alles blijkt uit een publicatie in de krant van 15 mei 1866:

acte tussen de weduwe en erven van de heer Feije Zeilinga, in leven zijnde zeilmaker, gewoond hebben te Amsterdam en aldaar den 4den Februari 1866 overleden…
Zeilmakerij door Jan Jurgen Zeilinga voor eigen rekening en zonder aansprakelijkheid van de weduwe voortgezet vennootschap F. Zeilinga.
Vennootschap tussen wijlen Feije Zeilinga en Jan Jurgen Zeilinga tot uitoefening van een touwslagerij ontbonden. JJ zet de touwslagerij voort onder de firma Zeilinga & Cie (of Co)
22 juni Bij beschikking van de regter van het eersten kanton, arondissement Amsterdam, van den 22 sten junij 1866 , is aan Ede Abraham Zeilinga, minderjarige zoon van wijlen Teije (sic) Zeilinga, en Anna Catharina Berke, regtens wonende in Amsterdam aan de Gelderse Kade, handligting verleend tot het uitoefenen der zeilenmakerij te Groningen en te Amsterdam en de touwslagerij te Groningen, beiden in vennootschap met zijnen broeder den heer Jan Jurgen Zeilinga, en het verrigten van alle daartoe vereischte handelingen.

Vijf dagen na de beschikking van de rechter treedt Ede dan officieel toe. Hij woont dan nog in Amsterdam, terwijl zijn broer in Groningen woont. De meerderjarige Jan Jurgen is dan zijn voogd. Op 29 juni gaan de twee broers een vennootschap aan:

Vennootschap F. Zeilinga (zeilmakerij) en Zeilinga & Co (touwslagerij). Vennootschap tot het uitoefenen van de zeilenmakerij te Amsterdam en Groningen en van de touwslagerij te Groningen. Jan Jurgen Zeilinga wonende te Amsterdam, Ede Abraham gedomiliciëerd ten huize van zijnen voogd J.J.Zeilinga doch verblijf houdende te Groningen

Het werk aan de lijnbaan in Groningen lijkt de heren Zeilinga niet erg te zijn bevallen. Al in oktober 1866 neemt een H. Huisinga de lijnbaan De Nijverheid over van de heeren Zeilinga & Co, lees ik. Dat is ook de eerste en enige keer dat de lijnbaan een naam blijkt te hebben: de Nijverheid. De verstandhoudingen moeten goed zijn geweest, want ‘Bij de heren zal een depot van zijn fabrikaat gevestigd blijven.’ Met andere woorden: Huisinga maakt voortaan de touwen voor verkoop via Zeilinga. Hoe het precies zit?

Op 15 maart 1867 vindt er een gedwongen verkoop van een schip plaats op last van Zeilinga & co, touwslagers. Het gaat om het tjalkschip Harmina van Roelof Piet. Piet zal zijn rekeningen niet betaald hebben, waarna de firma dwong zijn schip te verkopen. In de advertentie van de veiling worden Zeilinga&Co nog touwslagers genoemd, maar ik neem aan dat dat alleen was, omdat de akte nog niet veranderd was na verkoop van de touwslagerij.

Op 22 november 1866 hertrouwt Jan Jurgen, met Fennigje Scheltens, dochter van zilversmid Theunis. Hij woont dan al weer in Amsterdam. Fennigje is geboren in Hoogezand en woont volgens de trouwakte in Groningen.

Zeilmakerij in Delfzijl

In het artikel uit de Revue der Sporten uit 1916, wordt ons vertelt dat het vooral Jan Jurgen is geweest die de Firma F. Zeilinga groot heeft gemaakt. Het kan zijn dat Ede’s aandeel toen al lang vergeten was, omdat hij slechts relatief kort deel uitmaakte van de firma, zoals we straks zullen zien. Het kan ook zijn dat Jan Jurgen inderdaad het zakelijke talent van de twee broers was. In ieder geval lijken ze de ambitie te hebben gehad groot te worden. Twee vestigingen en een rederij is nog niet genoeg. Er komt nog een derde zeilmakerij bij. Op 10 april 1868 maakt de krant bekend dat er tussen nog een firmant bijkomt. Ze beginnen met een derde firmant een vennootschap voor een zeilmakerij in Delfzijl.

Jan Jurgen Zeilinga, zeilmaker wonende te Amsterdam, Ede Abraham Zeilinga, zeilmaker, en Hermannus Gerrit Keizer, boekhouder, beide laatstgenoemden wonende te Groningen, eene vennootschap aangegaan onder de firma F. Zeilinga en Keizer, tot het uitoefenen eener zeilmakerij en het handel drijven in touwwerk en verdere scheepsbehoeften, benevens een reederij en scheepszaken (NL staatscourant 01 05 1868)
Uit de acte: Artikel 1 De vennootschap zal gevestigd zijn in Delfzijl en zal een aanvang nemen op den eersten mei achttienhonderdachtenzestig.
Hermannus Gerrit Keizer door wien de boeken zullen worden gehouden en die mits diende aan de vennootschap toekomende of door hun gehuurde woning te Delfzijl zal moeten bewonen en over de door hem en zijn gezin vereischte ruimte dezer behuizing zal kunnen beschikken, des echter dat de uitoefening der affaire er niet door wordt belemmerd, zonder toestemming van zijne mede vennooten zijn hij niet van woonplaats mogen veranderen.

Helaas is me volkomen onduidelijk hoe het deze firmant en zeilmakerij in Delfzijl is vergaan. Keizer is geboren op 4 september 1841. Hij trouwt op 19 september 1868, dus kort nadat hij met de Zeilinga’s in zaken gaat en daarmee een inkomen verwerft. In het online archief ‘Alle Groningers’ zijn vier aangiftes van het overlijden van Keizers kinderen te vinden.’ Bij de aangifte van 1871 bij overlijden eerste kind is Keizer nog zeilmaker, maar bij de volgende, in 1875, noemt hij zich al scheepsmakelaar. Bij gebrek aan bronnenmateriaal concludeer ik daar voorzichtig uit dat de zeilmakerij in Delfzijl een kort leven beschoren is geweest. In kranten kom ik hem tegen als scheepsmakelaar H.G. Keijzer, een beroep dat hij nog lang is blijven uitoefenen, maar zonder bemoeienis van de Zeilinga’s.

De Noorderhaven als werkplek

Noorderhaven, rechts (wit) de Hoek van Ameland, met daarachter de vroegere zeilmakerij, links de plek waar de Noorderwerf lag. Foto: Marco in ‘t Veldt

Tegenwoordig is de Noorderhaven schilderachtig mooi. Rustig. De schepen dobberen op het water en dienen vooral om op te wonen. De herenhuizen langs de kades staan zich stil en chique te spiegelen in het water. In de tijd dat Jan Jurgen en Ede er komen te wonen, is de Noorderhaven echter een bruisende plek waar volop en hard gewerkt wordt.
Het Adresboek. Naamregister van fabrijkanten, kooplieden, winkeliers, notarissen, makelaars, enz. enz. te Groningen. J. Oomkes J.Zoon. 1854 laat ons hier iets van zien van de nijverheid in de negentiende eeuw. Het boekje geeft ons een overzicht over de zeilmakerijen in Groningen in die tijd:
Firma Van der Goot & Barends, Hooge der A II 102, Wijndels, T. Noorderhaven I 232, Westenborg , G.W. Hooge der A I 243, Firma B. Onnes & Zoon, Noorderhaven L. 67, T van der Veer, Boterdiep, S.H. de Rooij Schuitendiep, Sissingh, H.J. Kostersgang, Staal. G. Nieuweweg.


Ook noemt het boek een flink aantal scheepwerven, of ‘Scheepstimmerlieden,’ zoals men toen graag zei:

Kater, Klaas (Firma Kater & Meulman) Noorderhaven L2, Vries, G.K. de, Zuiderhelling S354, Lugthart, J.C., Buiten A Poort U38, Meursing, E.H., Buitenwerf V37, Vries, K.K. de, Buiten Klein Poortje, IJ 25, Werff, F.U. v.d. idem IJ 29.

De stad kende in die tijd kennelijk zes scheepswerven en acht zeilmakerijen.  Er is dus stevige concurrentie. Daarnaast is er een levendige handel rond de Noorderhaven. Hetzelfde Adresboek geeft ons ook een prachtig overzicht over de activiteiten in de stad Groningen halverwege de negentiende eeuw. De Meulman die later met Kater gaat samenwerken op de Noorderwerf blijkt bijvoorbeeld één van de drie ankersmeden in de stad te zijn. Hij is gevestigd aan de Noorderhaven I 215, maar wordt op een andere plek in het adresboek ook aangeduid als: Kagchelmaker.

Blok en Mastmakerij Douwes, Noorderhaven no. 10 rond 1920.

Op de plek waarvan ik eerst dacht dat het de zeilmakerij Zeilinga was, blijkt bij nader inzien blokmaker Douwes te zitten, aan Noorderhaven I 216. Hij is één van de zes blokmakers die de stad dan kent, en is ook mastenmaker. Een foto uit de jaren 20 laat de mastenmakers op straat aan het werk zien. Verder zitten er aan de haven twee bakkers, baardscheerders, makelaars in granen, in marmer, zout, edele gesteenten, twee mastenmakers, een schoenmaker, een ‘verwer,’ vijf winkeliers en een zoutzieder.
En het is er een komen en gaan van zeelieden. Hoewel stoom snel opkomt, wordt er tot ver in de negentiende eeuw gevaren onder zeil. De stoommachines nemen namelijk zoveel ruimte in binnen een schip, dat zij voor de kleinere kustvaarders ongeschikt zijn.

Men stapt pas over als er betrouwbaren dieselmotoren beschikbaar raken. Daardoor duurt de strijdt tussen zeil en stoom lang voort. Vlakbij de zeilmakerij van Zeilinga ligt de hoek van de Noorderhaven die bekend staat als ‘Hoek van Ameland.’ Daarover tekent Hylke Speerstra nog in de twintigste eeuw op uit monden van oude gepekelde zeelui:
(P. 41) Niet iedereen zei meteen ja tegen den nieuwe tijd. Ik hoor ze in de stad Groningen op het Hoekje van Ameland nog bakkeleien, die oude zeelui. Over hun houten schoeners en koffen. En nu ging het over de vraag: of lassen of klinken, want het ijzeren schip verdrong het houten. IJzer kan niet, want ijzer zinkt immers, zeiden ze. En ze waren bijna blij toen ze merkten dat de eerste geklonken schepen lekten als de zee.
De Noorderhaven is echter verre van ideaal. Hij staat via het Reitdiep in open verbinding met de zee. Dat zorgt er ook voor dat er voortdurend zout water en slib binnendringt. Er moet voortdurend aan gewerkt worden om de haven bevaarbaar te houden. Maar ook overstroomt de haven regelmatig. Nog in 1863 slaat een storm flinke gaten in de dijken van het Reitdiep en overstroomt veel land. De huizen aan de haven overstromen zo regelmatig dat er altijd planken en klei klaarliggen om in het binnendringende zeewater te weren.

In ‘Groningen als woonplaats beschouwd 1858, Eene bijdrage tot de geneeskundige plaatsbeschrijving van deze stad, ‘schrijft Sibrandus Elzo Stratingh, (p59):

De bewoners van deze straten zijn in zeker opzigt gewoon aan dit verschijnsel, in zooverre dat zij tegen elken hoogen vloed gewoonlijk voorzien zijn van klei, en hiermede en met planken de ingang van hunne woningen en kelders zoveel mogelijk afsluiten. Het gebeurt echter vaak dat het water hen overvalt, en de woningen binnendringt; zodra het hoogwater voorbij is, worden dan wel zoo spoedig mogelijk de kelders leeggeschept, en de kamers van vuil bevrijd, maar de muren en vloeren hebben door die drenking met zeewater voor de gezondheid hoogst nadeelige eigenschappen gekregen.

Dr. P.J. van Herwerdenschrijft in ‘De Groninger Zeevaart in de tweede helft der negentiende eeuw’ (1935):
De Noorderhaven was naar binnen afgesloten door grote en klein spilsluizen. Tot daar kwam de vloed, omdat het Reitdiep nog in open verbinding stond met de zee. Steeds weer bracht het zeewater veel slib in de haven. Wel maakte men het met de zogenaamde krabbelaar los en liet men het bij eb, door de geopenden Spilsluizen weer wegspoelen. Maar in droge tijden was dat niet goed mogelijk. Zelfs binnenschepen konden in de haven dan niet vlot komen.’

Noorderhaven. Foto: Marco in ‘t Veldt

Dat heeft grote gevolgen voor de scheepvaart ter plekke:
(Speerstra P31) Opa heeft vertelt hoe de nieuwe Groninger koffen aan de kanalen in het midden van Groningerland nieuw van stapel liepen en daarna over zoveel drempels en door zoveel nauwe en lage bruggen gewrongen moesten worden, dat ze tweedehands in zee kwamen. Met ploegen van vijftien jagers in de lijn plus een opzichter werd zo’n nieuw schip soms in perioden van laag water het laatste traject door de blubber van het Reitdiep richting Zoutkamp getrokken.”

 

Bulthuis & Zoon

Niet alleen Ede verbouwt zijn woning in die tijd.  In datzelfde jaar vragen Bulthuis & Zn., C.L. een vergunning voor het maken deurkozijn in voorgevel, Adres: Visserstraat I 102. De wijnhandelaren zitten vlakbij de zeilmakerij.

Kennen Ede en zijn aanstaande vrouw elkaar daarvan? Of hebben ze elkaar elders ontmoet, zoals in de kerk? In ieder geval blijkt wijnhandelaar Bulthuis een leuke dochter te hebben, waar Ede niet veel later mee trouwt.: Wilhelmina Bulthuis.
De familie Bulthuis komt uit het dorp Hoogkerk, vlak onder de rook van de stad. Nog altijd is het een industriedorp. Tegenwoordig is het bekend om de suikerfabriek, maar Bulthuis heeft er een kalkbranderij. En hij handelt in wijn. Op 7 oktober 1856 mag mr. J. Quintus vastleggen dat er een vennootschap Bulthuis tussen Cornelis Lambertus Bulthuis, kalkfabrikant en wijnkooper, en Geert Alting ontstaat. Een jaar later op 6 mei 1857 starten Bulthuis en Alting hun ‘wijnaffaire’ op hoek kleine der Aa/ Schuitemakersstraat in de stad.

Later komt Bulthuis zoon Lambertus er bij in zaak. Op 21 januari 1869 vindt er een ontbinding plaats van een vennootschap tussen Cornelis Lambertus Bulthuis en Lambertus Bulthuis Corneliszoon. Op 16 januari datzelfde jaar, wordt er een nieuwe aangegaan waarin drie vennoten zitten: Cornelis Lambertus, Lambertus en Delfgou. Delfgou zal er enige tijd later echter weer uitstappen en naar Amsterdam vertrekken.

De wijnconsumptie in Nederland stijgt in die tijd snel en de zaak groeit.  Omstreeks 1920 waren er in Groningen zo’n tien wijnhandels. De groothandel, voornamelijk gevestigd in Rotterdam en Amsterdam, leverde op fust of op fles door aan de kleinere regionale opkopers.

Laden en lossen bij Noorderhaven rond 1900. Pand 48 heeft dan nog een takel in de nok.

Op 11 juni 1869 trouwt Ede Abraham Zeilinga met Wilhelmina Bulthuis, dochter van de wijnhandelaar Cornelis Lambertus Bulthuis. Twee jaar later, op 3 oktober 1871 wordt hun eerste kind geboren. Het is een zoon die wordt genoemd naar de vader van Wilhelmina: Cornelis Lambertus Zeilinga (1871-1841). Roepnaam: Cees. Het jaar daarna krijgen de twee een dochter die Ede vernoemt naar zijn moeder. Helaas wordt het meisje nog geen jaar oud.
In het huis aan de Noorderhaven blijken niet alleen Ede en zijn vrouw ‘Willemiena’ te wonen. Ook Edes zus Grietje Zeilinga woont er, zijn – dan nog – twee kinderen en natuurlijk een dienstbode.

Uiterst rechts: Cornelis Lambertus Zeilinga als lid van herensocieteit Soranus. Het originele fotobijschrift duidt hem aan als ‘Kees Eylenga.’

Tot mijn verrassing woont er ook een neef in bij het gezin. Dat zal een leuke naamsverwarring hebben gegeven, want de neef uit Sappemeer heet Abraham Edes Zeilinga. Hij is het die als kapitein op de Agatha gaat varen voor rederij Kaars Sijpesteijn, de rederij waar ook mijn betovergrootvader voor vaart met zijn Piet Hein. In het Noordelijk scheepvaartmuseum is nog een mooie oude scheepstrommel te zien die van deze neef is geweest. Hij heeft hem blijkens het opschrift gekregen van cargadoors B.J. Carst & Co uit Amsterdam (Benjamin Jaski Carst, Nieuwendam 1843- Johannesburg Z-Afrika 1918).

scheepstrommel van Abraham Edes Zeilinga, kapitein van de Agatha. Collectie Noordelijk Scheepvaartmuseum

 

Verkoop Zeilmakerij en vertrek naar Amsterdam.

In januari 1879 is het afgelopen met de zeilmakerij in Groningen. Na zeventien jaar biedt de firma F. Zeilinga het hele pand te koop aan, wegens ‘vertrek naar elders.’

Ten huize van koffiehuishoudster R.H.Mulder aan de Grote Markt te Groningen, publiek worden verkocht: Eene ruime , nette sterk betimmerde behuizing met groote werkplaats, get. J 230; waarin sedert onheugelijke jaren een bloeiende zeilmakerij wordt uitgeoefend, staande en gelegen aan de Noorderhaven Zuidzijde en uitkomende in de Hoekstraat te Groningen; toebehorende aan de firma F. Zeilinga.

De zaak wordt verkocht aan koopman B.J. Wickenhagen, zo te zien de vader van de notarisklerk.  Jan Jurgen is er voor overgekomen uit Amsterdam, Ede wordt niet genoemd in de akte. In de akte is ditmaal geen sprake van een inboedel.

Dat ‘elders’ blijkt Amsterdam. In de economisch moeilijke tijden zoeken de broers Zeilinga elkaar kennelijk weer op. Ze maken beiden nog deel uit van de firma F. Zeilinga. In 1871 was zus Grietje al weer naar Amsterdam teruggekeerd, hun neef Abraham was in 1875 vertrokken om de zee op te gaan met de Agatha. Het hele gezin van Ede verhuist op 25 april 1879 naar Amsterdam. Zeilenmaker Ede betrekt een woning aan de Regtboomsloot 9, waar hij woont tot mei 1880. Dan trekt het gezin in de Prins Hendrikkade 102, vlak bij de zeilenmakerij.

Noorderwerf buiten gebruik. De loodsen zijn nu brandstofopslag. Links de stadswal met het Reitdiep. Rechts wordt er gebouwd op het terrein van de voormalige werf.

Waarom gaat Ede weg uit Groningen? Waarschijnlijk omdat het economisch slecht ging met de zeilmakerij. In 1873 wordt de Noorderwerf verkocht en keert Klaas Kater terug naar Amsterdam en de familiewerf in Monnickendam. Daarmee zal Ede een vaste klant hebben verloren. De werf wordt niet voortgezet maar gaat dienen als opslag voor brandstof. Het zijn zware tijden voor de scheepsbouw. Die is rond deze tijd compleet ingestort. Tijdens de Krimoorlog zijn er volop schepen besteld en nu is er zo’n een overschot dat er niet meer gebouwd wordt. Vooral de Groningse scheepsbouw heeft een slechte naam gekregen.

Er is nog een ontwikkeling die de zeilmakerij aan de Noorderhaven benadeeld kan hebben. In die tijd krijgt Groningen namelijk een nieuwe zeeverbinding, via het Eemskanaal naar Delfzijl. Dat wordt aangelegd tussen 1866 en 1876.  Door het nieuwe kanaal verschuift het gewicht van de zeevaart in de stad naar de Oosterhaven. Het Reitdiep wordt afgesloten met sluizen en is niet langer een open zeeverbinding. De Noorderhaven wordt daarmee veel minder belangrijk.

Amsterdam
Wat gaat Ede in Amsterdam doen? Het lijkt aannemelijk dat hij een rol blijft spelen in de zeilmakerij, maar de broers zoeken ook naar ander werk. Uit het verhaal in de Revue der Sporten blijkt dat Jan Jurgen goede contacten heeft op de marinewerf. Helaas is daar verder weinig over te vinden. Ik mag aannemen dat het hierbij ging om klussen op het gebied van het maken van zeilen, maar ook bij de marine zal dat snel minder worden.
In 1852 worden namelijk de uitkomsten bekend van een onderzoek dat de minister van marine heeft laten doen naar de toestand van de Nederlandse zeemacht. De onderzoekscommissie, onder voorzitterschap van prins Hendrik, de broer van de koning, adviseert om voortaan alleen stoomschepen te bouwen. Bij de marine nadert het zeiltijdperk dus zijn einde. Op 26 april 1827 vertrok al het eerste stoomschip van de marine uit Hellevoetsluis maar na 1852 ging de overstap op stoom heel snel. Sneller dan bij de koopvaardij, waar verzekeringen vaak bleven eisen dat er ook zeilen aan boord waren voor als de motoren stuk waren.

Zeilmakerij Zeilinga schakelt daarom langzamerhand om op andere producten. Tot aan het eind van haar bestaan blijft de productie van zeilen in stand, maar daarnaast komen er steeds meer andere producten bij, zoals we verderop zullen zien. Vanaf ongeveer 1860 start de Firma F. Zeilinga met het regelmatig adverteren voor dekkleeden, te huur of te koop op de Gelderse Kade, het huisadres van Jan Jurgen. Dit blijkt een succes te worden.

Scheepsagent van de DSM

De Meppel I of II

De firma Zeilinga begeeft zich nog in heel andere handel. In 1879 wordt de Drentsche Stoomboot Maatschappij (DSM) opgericht. In de krant kan Nederland lezen dat Ede daarmee een nieuwe baan heeft. Hij wordt agent van de DSM in Amsterdam. De Firma Zeilinga wordt geen aandeelhouder in de DSM maar speelt wel een rol in de aanschaf van de eerste stoomboten van de maatschappij, die worden gebouwd in Amsterdam.

(1879) Drentsche Stoombootmaatschappij. Nieuwe dienst, dagelijks behalve zondags tot vervoer van passagiers, goederen, en vee tusschen Meppel en Amsterdam, vice-versa, met de nieuw gebouwde, uitmuntend ingerichte, extra snel varende salonstoomboten Meppel I en Meppel II. Vertrek van Meppel des morgens 9 uur, na aankomst van den sneltrein van Nieuwe Schans, Groningen, Assen en Friesland. Vertrek van Amsterdam des morgens 8 uur. Aankomst te Meppel des middags 3 uur. Aankomst te Amsterdam des middags 4 uur. Aan het Station Meppel staat ene omnibus gereed om de passagiers naar de boot te brengen. Verdere inlichtingen : te Meppel en Assen aan de kantoren van de Drentsche Stoomboot-Maatschappij ; en te Amsterdam bij den agent E.A. Zeilinga, kantoor: Oosterhoofd 3, beurs: zuil: pilaar 46.

Hoe de Zeilinga’s bij de DSM betrokken raakten is niet te achterhalen. Mogelijk raakten de oprichters van de DSM bekend met Ede via Drentse beurtschippers die afmeerden in de Noorderhaven. Het lijkt in ieder geval aannemelijk dat de contacten tussen Zeilinga en DSM al gelegd waren voor Edes verhuizing naar Amsterdam.

Geschiedenis DSM

Algemeen Handelsblad maakt 13-08 1879 de start van de DSM bekend.

Vanaf 1879 tot en met 1942 waren de stoomboten Meppel I en Meppel II van de Drentsche Stoombootmaatschappij de goedkoopste en daardoor populairste verbindingsmiddelen tussen Drenthe en Amsterdam. De maatschappij werd pas in 1952 opgeheven. J.J. Zeilinga is nog tot 1901 administrateur te Amsterdam en agent.
Wie zou denken dat de aanleg van de trein meteen alle andere vormen van vervoer overbodig maakte, komt bedrogen uit. Treinen waren duur, en de verbindingen sloten vaak nog slecht op elkaar aan. De reis per boot was veel comfortabeler en veel goedkoper dan een treinreis. Ook van de DSM zijn alle archieven verloren gegaan, maar gelukkig heeft W. Kerkmeijer een belangrijk deel van de geschiedenis weten te achterhalen.
Vooral de inwoners van Meppel voeren met de boot, maar er werden ook veel goederen vervoerd. Sommige passagiers waren vaste klanten en voeren iedere week mee. Daaronder waren bijvoorbeeld veehandelaren maar ook grasmaaiers die als seizoenswerkers in Amsterdam werden ingezet. Soms ging het daarbij wel om een groep van honderd mensen tegelijk. Dat trok wel enige aandacht: ‘Deze lui, allen op klompen, trokken in optogt door de stad naar de boot, dat natuurlijk al eenig opzien wekte.

De Meppel I

Bij het goederenvervoer ging veel om gepekelde koeienhuiden, medicijnen, zeep, boter, kaas, melk. Maar er was ook vaak levende have. Op 24 juni 1880 bijvoorbeeld 39 honden uit Beilen naar Amsterdam gezonden voor de internationale hondententoonstelling in Haarlem. Bijna iedere week gingen vetgemeste varkens richting Amsterdamse slachterijen. In de week van 11 op 18 augustus 1889 werden bijvoorbeeld een koe, vijf kalveren, zeven lammeren en 245 vetgemeste varkens vervoerd.

De Drentsche Stoombootmaatschappij werd opgericht op 1 februari 1877 (DSM) in Assen, belangrijkste initiatiefnemers waren Egbert Beijer, die al twee stoomboten had en daarom directeur werd, en Mr. H.J. Smidt, griffier van de Staten van Drenthe en later dat jaar minister van justitie. Zesentwintig personen stapten in de NV. Het streven is om een stoomverbinding tussen Meppel en Amsterdam op te zetten. Op dat moment varen er nog diverse zeilende beurtvaarders tussen de twee plaatsen. Die waren natuurlijk niet in staat om een vaste dienstregeling te garanderen omdat ze afhankelijk waren van de wind. Stoomboten konden dit wel.
Bij oprichting legden de aandeelhouders 50.000 gulden in, later tot totaal 150.000 gulden. Voor het eerst winst in 1883/84.

De Kamer van Koophandel, gevestigd in Meppel, schreef in haar jaarverslag over in 1878: ‘Deze onderneming heeft naar het gevoelen van de Kamer groote levensvatbaarheid, als zij let op het enorme goederen vervoer tusschen Amsterdam en Meppel en op het groote belang dat de handel heeft met eene regtstreeksche gemeenschap tussen beide plaatsen.
Er volgen de voorbereiding en een proefvaart met een stoomboot van de firma Goedkoop uit Amsterdam, om te kijken wat de meest geschikte afmetingen waren voor een nieuw te bouwen boot voor dit traject. In december 1887 laat de maatschappij bouwtekeningen maken voor twee nieuwe schroefstoomboten en worden offertes aangevraagd. De Meppel was 38, 5 meter lang, 5 meter breed en had een diepgang van 1,5 meter. Er konden 150 passagiers aan boord. De opdracht gaat tenslotte naar de Koninklijke Fabriek van Stoom en andere Werktuigen te Amsterdam.

Historicus Wicher Kerkmeijer besteedt slechts enkele woorden aan de rol van de Zeilinga’s: ‘De agent van de DSM in Amsterdam, F. Zeilinga, maakte alle afspraken met de fabriek en regelde de betaling. Beide stoomboten, die de namen Meppel I en Meppel II kregen, zouden na vijf maanden worden afgeleverd.” (p. 43)

Ook Kerkmeijer moet het doen zonder archieven doen – die zijn allemaal verloren gegaan bij een brand – zodat er waarschijnlijk verder niets over de betrokkenheid van Zeilinga te vinden is. We zijn in ons verhaal de firma Goedkoop echter al eerder tegengekomen: als eigenaar van de werf in Nieuwendam, voordat deze werd overgenomen door de gebroeders Meursing. Goedkoops zoon Daniël begon vervolgens de werf ‘t Kromhout in Amsterdam. Een succesvolle werf die tussen 1867 en 1902 zo’n 660 schepen en scheepjes bouwt.
Rond half mei 1879 werden de twee nieuwe stoomboten te water gelaten. De Meppeler Courant meldde ‘deskundigen roemen zeer de sierlijke bouworde.’ Als eigen DSM-herkenningsteken voor op de Zuiderzee waren de schoorstenen va de boten voorzien van drie witte banden.
Op 14 februari 1879 kregen de boten toestemming voor een ligplaats aan het Meppelerdiep in Meppel. ‘In Amsterdam kreeg de DSM een aanlegplaats op een toplocatie. Deze lag aan de De Ruyterkade achter het centraal station aan steiger nummer 1. Dit was de meest oostelijk gelegen steiger vlak voor de brug over de toegang naar het Oosterdok,’ schrijft Kerkmeier. In de eerste jaren wacht Ede de boten echter op bij het Oosterhoofd bij het Oosterdok, vlakbij de zeilmakerij. De reden is simpel: de De Ruyterkade wordt pas in 1880 opgeleverd. Had Ede geluk of had hij invloed? In ieder geval krijgt de DSM de meest oostelijke aanlegplek op de kade. Alweer vlak bij de Prins Hendrikkade en de zeilmakerij.

Aanlegsteiger van de Meppel I en II aan de De Ruyterkade. De heer met wandelstok in het midden lijkt verdacht veel op E. A. Zeilinga.

Rol Ede en Jan Jurgen
Wat zal de rol van Ede zijn geweest? Ik neem aan dat hij er als agent voor zorgde dat de vracht in Amsterdam van en op de boot ging. Eenmaal per dag vertrok er een boot richting Meppel, en eenmaal per dag kwam er een aan. Tweemaal per dag zorgde Ede er dan bijvoorbeeld voor dat de vracht werd gelost en zorgde voor verder vervoer naar de eindbestemming.
Een advertentie uit 1881 zegt het kort: E.A. Zeilinga Agent der Drentsche Stoomboot-Maatschappij, Amsterdam belast zich met het afhalen en bestellen van goederen, tegen zeer billijk tarief.
Op zondag 10 augustus 1879 kwam de nieuwe stoomboot Meppel I uit Amsterdam voor het eerst aan in Meppel. Hoewel de Zeilinga’s niet worden genoemd, kan ik me haast niet voorstellen dat ze er niet bij waren onder de ‘genoodigden’ op de boot. Ik denk dat Ede en misschien ook Jan Jurgen is meegevaren, feestelijk van Amsterdam naar Meppel en weer terug:
‘Van Zwartsluis om 10 3/4 uur vertrokken, was men- terwijl de laagste waterstand in de Kribben 4 3/4 voet beliep – tegen half één nevens Schokland en ten 1 1/2 ure reeds in Kampen. In ruim één uur werd de afstand tusschen Kampen en Zwolle afgelegd. 1 1/2 uur was slechts noodig voor dien tusschen Zwolle en Zwartsluis. Aan boord waren de heeren commissarissen der Maatschappij met eenige dames, de directie en enkele genoodigden. De boot is hoogst elegant en doelmatig ingericht en loopt hard. Daarbij ligt ze vast op het water, wat voor het meerendeel der passagiers een groot voordeel is. De stemming aan boord was van zelf opgewekt en menig hartelijk woord werd gesproken. (…) naar wij vernemen, wordt de dienst Woensdag 13 dezer geopend.’

Na deze maidentrip ging het zo verder. Dagelijks vertrek uit Meppel 9 uur na de aankomst trein uit Friesland, Groningen, en dan de aankomst te Amsterdam namiddags 4 uur. Het vertrek uit Amsterdam was iedere ochtend om 8 uur waarna de aankomst in Meppel om 3 uur ‘s middags plaatsvond. Tenminste: als het goed ging. Vooral in het begin had men te kampen met tegenslag. Nog geen twee weken na begin kreeg de Meppel II al een lek, en meerdere keren ging de motor kapot.

Een advertentie van 27 februari 1882: Hervatting van stoomboot maatschappij dienst. 1e kajuit f1,50, 2e kajuit f1,- Verdere informatie geven de agent, de heer E.A. Zeilinga te Amsterdam, kantoor aan de ligplaats Hullsche steiger, en de directie te Meppel.

Terug naar Groningen

Ede Abraham Zeilinga 1848-1918

Ede Abraham Zeilinga (1848 – 1918) op latere leeftijd. Collectie Wim Zeilinga

Deze situatie duurt niet heel erg lang. In 1884, al na een jaar of vijf, verlaat Ede de firma F. Zeilinga helemaal en keert terug naar Groningen. Hij stapt in zaken met zijn schoonvader. Wat zou zijn familie van drankbestrijders en geheelonthouders daar van hebben gevonden?
Naar de reden dat Ede naar Groningen terug gaat, kunnen we alleen maar raden. Het lijkt er op dat de verstandhouding tussen Ede en Jan Jurgen zakelijk gezien altijd goed is gebleven. Na Ede’s dood zal zijn zoon Cornelis de firma F. Zeilinga in Groningen blijven vertegenwoordigen. Maar misschien zaten de broers elkaar toch te dicht op de lip, of werden de inkomsten te laag om beiden van een goede baan en inkomsten te voorzien. Na Edes vertrek neemt Jan Jurgen het agentschap over en organiseert met de Meppel zelfs zondagse pleziervaarten. Jan Jurgen wordt ook nog agent van andere stoomverbindingen, zoals Concordia.

Aannemelijker lijkt het daarom dat het echtpaar Groningen mistte, of nodig was om bij (schoon)vader in de zaak te komen. In de krant verschijnt allereerst een advertentie waarin bekend wordt gemaakt dat Ede uit de zaak stapt en Jan Jurgen die vanaf eind 1883 in zijn eentje voortzet.

Op 6 januari meldt de krant dat Ede Abraham uit firma’s stapt:

Zeilmakers en agenten, wonende te Amsterdam. Tot uitoefening van de zeilmakerij en alles wat daartoe behoort, onder de firma van F. Zeilinga
Tot het drijven van een agentuur eener binnenlandsche stoombootmaatschappij, met al wat daartoe behoort, onder de naam E.A. Zeilinga ONTBONDEN met en vanaf ultimo 1883.
De zaken dier beide vennootschappen blijven van af gemeld tijdstip geheel en alleen voor rekening en risico van den heer Jan Jurgen Zeilinga, die daartoe de vermelde firma’s zal blijven gebruiken en teekenen, hetzij alleen of in vennootschap met anderen, zonder aansprakelijkheid echter van den heer Ede Abraham Zeilinga. D. van Dijk

Jan Jurgen gaat enkele jaren daarna een vennootschap aan met de zoon van zijn inmiddels overleden broer Jacob: Hendrik Zeilinga (1861-1902 . Daarmee wordt Hendrik expediteur.
1887 bij akte van 26 feb bij notaris Reysenbach:
Is tusschen de heeren Jan Jurgen Zeilinga, agent van stoombootmaatschappijen en expediteur, en Hendrik Zeilinga, zonder beroep, beiden wonende te Amsterdam, aangegaan een vennootschap, ten doel hebbende de voortzetting…

Een enkel los krantenberichtje verraadt dat Ede (of zijn neef?) nog wel eens in Amsterdam is. Hij neemt er deel aan een zeilwedstrijd, met een jacht van een vriend. Het jacht is vernoemd naar het allernieuwste snufje techniek van die tijd: Telephoon. Het zeilen is een hobby maar ook een marketingstrategie. Ook vader Feije deed dat, met de tjotter Amasis. Hoe kan het ook anders als zeilmaker?
01-09- 1885, Het nieuws van den Dag:  ‘jachten, boeiers met roef. 2 Telephoon, eig. H Bernard jr. , bemanning E. A Zeilinga. Beiden te Amsterdam.’

Volgens de burgerlijke stand verhuist Ede op 28 december 1883 weer naar Groningen. Opmerkelijk genoeg blijft zijn zoon Cornelis/Cees nog tot 23 december 1890 in Amsterdam wonen, aan de Binnen Bantammerstraat 5. Hij woont vlak bij de Binnenkant en de Prins Hendrikkade, maar niet bij familie in. Is het de bedoeling dat hij het zeilmakersvak leert in het familiebedrijf?

Wijnhandel Bulthuis & Zoon.

Hoek Vismarkt Stoeldraaierstraat (Vischmarkt 41) in Groningen. De ‘B’ op de markies rechts moet van ‘Bulthuis & Zoon’ zijn.

Over de periode in de wijnhandel is niet heel veel te vinden. De winkel Bulthuis & Zoon adverteert weinig en er zijn geen archieven bewaard. Ede gaat in ieder geval in zaken met de broer van zijn vrouw, Lambertus Bulthuis. Het lijkt op dat hij goede zaken heeft gedaan. Uit een nota uit 1914 blijk dat de winkel een goede reputatie heeft. Zij mag zich ‘Hofleveranciers van H.M. Koningin Wilhelmina en H.M. de Koningin-Weduwe’ noemen en voert de beide koninklijke op haar briefpapier en nota’s.

Zoon Cees is te zien op meerdere foto’s in de Groninger archieven, en telkens in het gezelschap van de notabelen van de stad, die ongetwijfeld ook tot de clientèle van de winkel behoorden. Hij staat meerdere keren op de foto met leden van herensociëteit Soranus, die bij voorbeeld de rijke industrieel Jan Evert Scholten als lid had, net als bekende drukkers als Wolters en Noordhof.

Gemaskerd bal van herensociëteit Soranus, met helemaal links achter Cornelis Lambertus Zeilinga

Kort na zijn terugkeer naar Groningen vraagt Ede een vergunning aan voor het herstel van een stoep in de Stoeldraaierstraat in Groningen, bij toenmalig adres K215. In 1901 is er een aanvraag voor herstel van een lijstgoot op hetzelfde adres. De wijnhandel Bulthuis & Zoon is dan gevestigd op de hoek Stoeldraaierstraat/Vismarkt. Precies in het centrum van Groningen, met uitzicht op de toen nog bloeiende Korenbeurs. Zakelijk gezien is dat een prachtige plek. Het toenmalige pand is helaas in de Tweede Wereldoorlog verwoest toen er in de Stoeldraaierstraat een Duitse munitieauto ontplofte die de hele straat in brand zette. Op één foto vindt ik nog net de eerste twee letters van ‘Bu…’

‘C.L. Bulthuis en Zoon’ is dan een: Handelsgenootschap tot het drijven van handel in wijnen, gedestilleerd en daarmede verwante artikelen, bestaand hebbende tusschen den heer Lambertus Bulthuis Corneliszoon en de heeren Ede Abraham Zeilinga en Antonius, zich ook noemende en schrijvende Antonius Haakma, – Vos.
Zakelijk partner Antonius Haaksma wordt echter niet oud. Hij sterft op 20 juni 1901 al op veertigjarige leeftijd. Over blijft Lambertus, de broer van Edes vrouw.

De Telegraaf 10 09 1901

Op 7 september 1901 overlijdt Edes broer Jan Jurgen in Amsterdam op 56-jarige leeftijd. Ongetwijfeld een zwaar verlies voor de familie. Jan Jurgen wordt gezien als de drijvende kracht achter het succes van Zeilmakerij Zeilinga. In de krant verschijnt een overlijdensadvertentie geplaatst door zijn dan nog levende broers en zussen, Lollina, Ede Abraham en Neeltje met hun respectievelijke partners.
Hoe Ede er dan voor staat is moeilijk te zeggen. Op enig moment komt zijn zoon Cornelis Lambertus in wijnhandel in Groningen. In 1906 verhuist het kantoor van CL Bulthuis & Zn. naar Guldenstraat 22b in Groningen, in de straat vlak achter het gemeentehuis.
Dat de winkel en Ede in die tijd een bekende verschijning waren voor Groningers blijkt alleen uit een terloopse vermelding in de krant die naar de voormalige vestigingsplaats van de winkel verwijst: Op 7 november 1906: ‘Aan de Vischmarkt, voor het huis waarin de heer Zeilinga vroeger z’n wijnhandel had gevestigd.‘ De schrijver van het stukje veronderstelt duidelijk dat de meeste van zijn lezers weten welk huis er bedoeld wordt en wie Zeilinga is.

Ede zet de wijnhandel nog geruime tijd voort. In het telefoonboek van 1915 wordt vermeld dat hij telefoonnummer 284 heeft: Bulthuis & Zn., Fa. C.L., (E.A. Zeilinga), Wijnhandel, Guldenstr. 22b. Van de winkel zijn geen foto’s. Er bestaat een foto uit 1936, die gemaakt is ten behoeve van de sloop van het pand, dat dan deel is van een bank.

Op één foto van het buurpand, die wel uit die tijd dateert, zien we nog net de twee laatste letters van Bulthuis & Zoon. (ik heb er een rode pijl bovengezet).

In 1909 overlijdt Edes zakenpartner Lambertus Bulthuis op, 74-jarige leeftijd. Twee andere kleine krantenberichtjes verraden nog dat de winkel in die tijd diverse medewerkers had. In 1917 overlijdt bijvoorbeeld W.v.d. Beek, volgens de advertentie ‘langjarige vriend en medewerker.’ In dat jaar is H. Okken 40 jaar in dienst. Het lijkt er op dat de wijnhandel dus minstens vier of vijf medewerkers kende, en daarmee een behoorlijke omvang had.

In 1918 sterven zowel Ede en zijn vrouw, zoals vaker met levenspartners, kort na elkaar. Op 17 november sterft Wilhelmina Bulthuis, op 4 december Ede Abraham Zeilinga. De zaak is dan al overgegaan naar zijn zoon Cornelis Lambertus. Op 4 februari 1918 verhuist Bulthuis en Zoon van Guldenstraat 22 b naar ’t Kantoor van J.J. Mispelblom Beijer & Zoon, Heerestraat 71. Cornelis treedt er ook op als vertegenwoordiger van de firma F. Zeilinga uit Amsterdam. Dat bedrijf F. Zeilinga uit Amsterdam geeft inmiddels jaarlijks een catalogus uit, en mensen uit het hele land kunnen er hun tenten en watersportartikelen bestellen.

De Groninger Archieven bewaart meerdere foto’s van een gezelschap met daarin Cornelis. Op een daarvan staat ook zijn zwager Tonko Lieftinck. Cornelis is in 1897 getrouwd met Margaretha Woltera Hemmina Lieftinck (1873 – 1941), een dochter van tabaksfabrikant Henricus Lieftinck. Zijn eigen status of die van zijn vrouw geeft hem duidelijk toegang tot de voorname inwoners van de stad. Op de foto zit hij te midden van de bekende tabaksfabrikanten Tonko Lieftinck en Albert Niemeijer, een graanhandelaar, een verzekeraar en een drukker.

Cornelis Lambertus Zeilinga 1871 - 1941

In 1918, het jaar dat zijn schoonvader overlijdt, verhuizen Cees en Margaretha naar Arnhem.

Pakhuis de Nijverheid van tabaksfabriek Lieftinck in de Oosterstraat Groningen

In 1941 overlijdt Cees. Het Nieuwsblad van het Noorden wijdt dan nog een kort bericht aan hem.

Bericht over het overlijden van Cees Zeilinga in het Nieuwsblad van het Noorden.

Hoe het afloopt met de zeilmakerijen Zeilinga in Amsterdam en Nieuwendam,  leest u later in deel III van dit blog.

 

Ede Abraham Zeilinga (1848-1918) en twee eeuwen zeilmakerij Zeilinga. (I) Begin

Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Ede Abraham Zeilinga (1848-1918) Collectie Wim Zeilinga.

Ziedaar een naam, die op sportgebied klinkt als een klok. Welke watersporter, welke vlieger, welke enthousiast op concours hippique heeft niet van deze firma gehoord, het huis Zeilinga, specialiteit in zeilen, doch in groote sporttenten bovenal?

Het citaat hierboven is de aanhef van een artikeltje in de Revue der Sporten uit 1916. Het geeft aan dat de firma F. Zeilinga lange tijd een bekend bedrijf was. De naam Zeilinga gaat terug tot op de achttiende eeuw. Toen leefde er een zeemans- en zeilmakersgeslacht op Schiermonnikoog dat zich ging noemen naar haar beroep: zeilmakers.

De Zeilinga’s gingen ten slotte de hele wereld over, maar er bleven er ook altijd op Schiermonnikoog. Een groep vestigde zich begin negentiende eeuw in Nieuwendam, aan het Amsterdamse IJ, tegenwoordig Amsterdam-Noord. Dat gebeurde toen Ede Abrahams Zeilinga (1783- 1853) met zijn hele gezin verhuisde. Zijn zeilmakerij in Nieuwendam werd later voortgezet door zijn zoon Jacob en daarna door Jacobs zoon Feye. In 1936 werd de zeilmakerij verkocht.

Abrahams’ oudste zoon Feije stak in 1836 echter het IJ over en begon daar ook zeilmakerij, aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam. Die werd voortgezet door zijn familie en zou bestaan tot 1934 en in gewijzigde vorm tot het jaar 2000.

Centraal

In dit artikel gaat de aandacht uit naar Ede Abraham Zeilinga (Amsterdam 1848, Groningen 1918), kleinzoon van voorgenoemde Abraham Ede, die dus dezelfde namen had als zijn opa. Hij voer in 1865 mee op de schoener Piet Hein van mijn betovergrootvader Aldert Meijer en maakte er een bijzonder reisverslag van.

Dit artikel is een eerste concept van een hoofdstuk van een boek waarin het reisverslag en de geschiedenis van de Piet Hein centraal staan. Jan Jurgen Zeilinga (1841-1901) De oudere broer van Ede, zette de zeilmakerij van hun vader in Amsterdam voort. Ede zelf dreef Ede tussen 1862 en 1879 een zeilmakerij van de familiefirma in Groningen, een zeilmakerij Zeilinga aan de Noorderhaven. Daarna woonde hij korte tijd weer in Amsterdam. Vervolgens keerde hij echter weer terug naar Groningen om er deel uit te maken van de wijnhandel Bulthuis & Zoon in Groningen, met de familie van zijn vrouw Wilhelmina Bulthuis.

De Piet Hein II, Gezagvoerder A. Meijer, in 1869 door Jacob Spin

Voorgeschiedenis

“Een boek of artikel over de zeilmakerijen in Groningen? Nee, dat bestaat niet zover ik weet.” Eén telefoontje naar het Noordelijk Scheepvaartmuseum helpt me uit de illusie dat ik gemakkelijk informatie kan vinden over de zeilmakerij Zeilinga aan de Noorderhaven in Groningen. Zeilmakers worden – in tegenstelling tot schepen, scheepswerven en gezagvoerders – door de geschiedschrijving kennelijk niet interessant gevonden. Zeilmakers waren heel gewone mensen van weinig aanzien, die weinig sporen in de geschiedenis hebben nagelaten. Het vak was een ambacht dat niet uit boeken werd geleerd maar vooral van vader op zoon overging. Zeilmakerijen waren vrij onopvallende werkplaatsen. Met het ontwikkelen van de zeilvaart werden ook de zeilen moderner. Het vakmanschap van de zeilmakers was lange tijd van essentieel belang voor de ontwikkeling van de scheepvaart maar er is weinig of niets over op schrift vastgelegd.

Piet Hein I ,1856. Gezagvoerder A. Meijer. Schilderij door Jacob Spin. Ede voer mee op dit schip in 1865.

In 1865 stapt de toen zeventienjarige Ede Abraham Zeilinga aan boord van de Piet Hein (I,Meijer voer op twee gelijknamige schepen). Gezagvoerder Kapitein Meijer is Edes oom, en mijn betovergrootvader. Ede vaart een keer met hem mee naar Sint Petersburg, een vaste bestemming van de Piet Hein. Aan boord schrijft hij een reisverslag dat een bijzonder inkijkje geeft in de zeilvaart op de Oostzee. Uit het verslag blijkt dat hij vaak naar boven kijk: de zeilen hebben zijn bijzondere aandacht.

Een jaar nadat Ede terugkomt in zijn geboorteplaats Amsterdam, verhuist hij naar Groningen. Daar runt hij met hulp van zijn oudere broer Jan Jurgen een zeilmakerij aan de Noorderhaven. Strikt genomen is het reisverslag goed te lezen zonder iets over de schrijver ervan te weten. Maar toch wil je als historicus meer weten van de context.
Dit is een beschrijving van het leven van Ede Abraham Zeilinga, die hoofdzakelijk is opgebouwd rond jaartallen en dergelijke. Tegelijkertijd is het een beschrijving van een familie en tweehonderd jaar zeilmakerij Zeilinga geworden. Een gewone familie van gewone Nederlanders in een snel veranderende tijd. Archieven van de zeilmakerij zijn er helaas niet. Ook verder zijn de gegevens schaars. Toch is dit onderzoek uitgegroeid tot een heel verhaal. Laat ik beginnen bij het begin.

Schiermonnikoog

Zeilmakerij op Schiermonnikoog. Collectie Wim Zeilinga

Waar komt de naam Zeilinga vandaan? De oudste vermelding van een Zeilinga is die van Derk Zeilinga, geboren rond 1645 op Schiermonnikoog. Zijn naam wijst er op dat hij waarschijnlijk al zeilmaker was. Van zijn zoon Paulus Derks Zeilinga is dat gedocumenteerd. Diens zoon Ede Paulus Zeilinga (1696- 1776) zet het beroep voort. Zijn dochter Fennegien Edes Zeilinga (1736- 1815) trouwt met een burgemeester van Schiermonnikoog, Jeppe Pytters Carst. Diens zoon Abraham Edes Zeilinga (1749 – 1809) wordt ook burgemeester.

Burgemeester is in die tijd in een kleine gemeenschap zoals Schiermonnikoog een bijbaan, een erebaan. Toch duidt het op een zekere welstand en aanzien. Dat een zeilmaker burgemeester wordt is trouwens ook erg praktisch. Bijna iedereen die kan werken op het eiland gaat de zee op, soms als visser, maar meestal als zeeman of zelfs kapitein., terwijl het wel handig is, als de burgemeester permanent op het eiland aanwezig is. Schiermonnikoog leeft van de zee. Rond 1800 is dat moeilijk. De Franse bezetting maakt het moeilijk te handelen en een tijdlang verbiedt het continentale stelsel van Napoleon alle handel op Engeland. En de kustvisserij is moeilijker geworden door overbevissing.

Volgens de genealoog van de familie was burgemeester Abraham Edes inderdaad een man van aanzien. Hij had een behoorlijke zeilmakerij, was koopman en ook nog eens president van de rechtbank. Bovendien was hij een grote geldschieter voor de eilanders, iets dat hem waarschijnlijk geen windeieren legde.

De namen Abraham en Ede(s) blijven in de familie Zeilinga voorkomen, met een grote hardnekkigheid. Veel van de kinderen die de naam krijgen leven slechts kort. Maar doordat er zoveel kinderen deze namen krijgen, zijn er vaak meerdere personen tegelijkertijd in leven die Abraham Edes Zeilinga, of Ede Abraham Zeilinga heten. Dat maakt een geschiedschrijving als deze soms moeilijk.

De burgemeester Abraham Edes Zeilinga waar we het nu over hebben, heeft zijn best gedaan. Hij is maar liefst vier keer getrouwd. Zijn eerste twee huwelijken lijken kinderloos te zijn gebleven. Zijn derde huwelijk is met Neeltje Jacobs Meijer, de zus van ‘mijn kapitein,’ Aldert Jacobs Meijer. Ze krijgen vijf kinderen. Nadat Neeltje overlijdt, worden er uit een vierde huwelijk nog eens vier kinderen geboren.

Abraham Edes Zeilinga en Lollina Feijes Borst. Collectie Wim Zeilinga

Voor ons is Neeltjes tweede zoon belangrijk: Ede Abrahams Zeilinga (1753- 1853), de man die naar Nieuwendam verhuist. Hij trouwt in 1808 met Lollina Feyes Borst, en verhuist van Schiermonnikoog.
Zijn broer Haike Abrahams Zeilinga (1790 – 1861) zet de zeilmakerij op Schiermonnikoog voort. Haike wordt niet alleen ook burgemeester maar tevens de man die de roeireddingsboot op Schiermonnikoog invoert.

Zeilingahuis aan de Langestreek. foto: Marco in ‘t Veldt

Met twee families wonen Haike en Abraham geruimte tijd naast elkaar aan de Langestreek in het dorp, met uitzicht op de kerk. Ze wonen er in een dubbel woonhuis dat ook nu nog bestaat. Als je er voor staat: links Haike, rechts zijn broer Ede, Lollina en familie. Ook als Haike en Ede er al lang niet meer zijn, blijkt het huis in het bezit van de familie Zeilinga. Het heeft later onder andere nog gediend als Pension van de ‘Dames Zeilinga.’

Nieuwendam

Gezicht op de haven van Nieuwendam met veerboot.

Ede groeide zonder twijfel op in het zeilmakersvak van zijn vader en zal het in de praktijk hebben geleerd. Ook was hij een man van enige ontwikkeling, die bijvoorbeeld boeken kocht. Uit de voorinschrijving van het ‘Geschiedkundig tafereel van den watervloed en de overstroomingen in Vriesland’ blijkt bijvoorbeeld dat Ede een exemplaar van het boek kocht.

Abrahams Edes en Lollina hebben echter meer ambities en maken een grote stap: zij verhuizen van het eiland af, richting Amsterdam. Dat gaat echter niet zomaar. De twee trouwen eerst in het Friese Peasens, waar Lollina geboren is en woont. Een goede gok: de twee hebben elkaar leren kennen via Ede’s familie in Peasens. Al sinds minstens 1716 woont er namelijk een tak van de familie Zeilinga in het vissersdorp Peasens. Maar het hoeft niet zo te zijn gegaan, want ook de familie Borst komt van Schiermonnikoog. Haar vader Feye Teensen Borst heeft zich er als koopman gevestigd toen hij er zijn eerste vrouw ontmoet. Als hij na haar dood opnieuw trouwt, is het weer met een dame van Schier, die zich bij hem in Peasens vestigt.

Direct na hun huwelijk wonen Ede en Neeltje nog een tijd op Schiermonnikoog, waar ze elf kinderen krijgen, tussen 1809 en 1829. Twee daarvan sterven als baby, negen halen de volwassen leeftijd.
Dan maakt het echtpaar een grote stap: het verhuist van Schiermonnikoog naar Nieuwendam. Naar de reden en het exacte tijdstip moeten we raden, omdat de gemeenten in die tijd nog geen bevolkingsregistratie bijhielden en ik er verder geen documenten over kan vinden. De geboorte van hun laatste kind in 1829 vond nog plaats op Schier. Het huwelijk van hun oudste dochter Neeltje vindt plaats in Nieuwendam in 1833. De verhuizing moet dus ergens tussen 1829 en 1833 hebben plaatsgevonden.

Iets over Nieuwendam

Ansichtkaart van Nieuwendam. Achter de kinderen ligt het huis van de zeilmakerij Zeilinga.

Situatie tegenwoordig. Met nog links hetzelfde postkantoor, maar daarachter nieuwbouw. Foto: Marco in ‘t Veldt

Nieuwendam ontstond ooit na een ernstige dijkdoorbraak in 1516. Na de doorbraak legde men een nieuwe dijk aan met een sluis er in, de Waterlandse Zeedijk, die later de Nieuwendammerdijk ging heten. Zoals dat in die tijd rond sluizen en bruggen ging, ontstond er al snel een dorpje omheen. Nog altijd vormen de sluis en het café er naast het centrale punt in het dorp.  Nieuwendam werd al snel een voor die tijd erg industriële omgeving. Het dorp had bijvoorbeeld acht windmolens, waaronder diverse zaagmolens. Er werd hout voor de scheepsbouw gezaagd. Men leefde er veelal van de scheepvaart.

Nieuwendam was bij bij westen- of noordenwind een veiligere – en goedkopere – ankerplaats voor grote zeilschepen dan de Amsterdamse haven. Daarom vonden ook winkeliers er klanten. In het dorp werden nog tot ver in de 20ste eeuw schepen gebouwd, zoals bij de werf Het Fort van de firma De Vries Lentsch, gespecialiseerd in de bouw van sloepen en plezierjachten. Als je vroeger op de dijk bij het sluisje stond, zag je aan de ene kant de eindeloze polders van Waterland en aan de andere kant het open IJ met zijn vele schepen. In 1921 werd het toen sterk verarmde Nieuwendam door Amsterdam geannexeerd.

Er zijn goede redenen te bedenken als reden voor de verhuizing. De Nederlandse scheepsvaart en –bouw trekt aan en Amsterdam is daarbij het economische centrum, terwijl Schiermonnikoog verarmd. Het is van oudsher een machtige stad en zoals altijd wordt het bevoordeeld door de landelijke regering. Als havenstad is het echter weinig geschikt. Het IJ waaraan de stad ligt, raakt dichtgeslibd. Voor de haven ligt een grote zandbank die de toegang tot de haven haast afsluit: Pampus. Havens als Vlissingen en Harlingen liggen veel gunstiger, vanuit de zeilvaart gezien.

Toch heeft Amsterdam een grote aanzuigende werking op iedereen die met handel en schepen te maken heeft. Met Schiermonnikoog gaat het daardoor juist slechter. Het zijn vooral kapiteins die wegtrekken naar Amsterdam. De armeren blijven achter op het eiland. Op den duur dreigt Schiermonnikoog daardoor te verarmen.

De kapiteins trekken weg omdat de schepen groter worden. Steeds minder varen ze op de platbodems die je op het Wad kunt laten droogvallen. Voor de nieuwere schepen heb je een echte haven nodig, en havens zijn te vinden in Amsterdam, of daar tegenover, in Nieuwendam. Eén zeilmakerij op Schiermonnikoog is daardoor wel genoeg. Het lijkt logisch als de oudere broer die voortzet en de jongere vertrekt, maar hier gebeurt het andersom. Haike werkt verder op Schiermonnikoog, Ede vertrekt. Naar de reden kunnen we raden. Ambitie? Avontuur? Connecties?

Volksverhuizing

Wat er in ieder geval gebeurt: Ede zet een kleine volksverhuizing in gang. Niet alleen hij, zijn vrouw en hun negen kinderen vertrekken. Nee, ook de (aanstaande) partners van zijn kinderen volgen. Later komen er nog meer – vaak oudere – mensen over van Schiermonnikoog. Oudedagsvoorzieningen bestaan niet, dus worden ouderen bij familie opgevangen als ze niet meer in hun eigen bestaan kunnen voorzien.

We kunnen ons de reis van Schiermonnikoog naar Amsterdam wel ongeveer voorstellen. Die is zonder twijfel per schip gegaan, van familie of vrienden. Vanaf Schiermonnikoog over de Zuiderzee, zo het IJ op. Mensen, huisraad en dieren moeten allemaal aan boord van een schip zijn gehesen. De eindbestemming van de verhuizing is echter niet Amsterdam, maar Nieuwendam, tegenwoordig deel van Amsterdam-Noord. Het dijkdorpje ligt tegenover Amsterdam. Het huidige treinstation blokkeert dan nog niet Amsterdams toegang tot de zee, zodat de stad nog een open havenfront heeft. In Nieuwendam speelt zich een deel van het haven. Bovendien is de haven van Nieuwendam vaak beter te bereiken dan die van Amsterdam.

Nieuwendam is veel kleiner en overzichtelijker dan de grote stad. Er wonen slechts ongeveer duizend mensen, net zoveel als op Schiermonnikoog. Dat moet aantrekkelijk zijn geweest voor de mensen van Schier, die een overzichtelijke samenleving gewend waren. Er gaan veel kapiteins op de dijk wonen, die daarom wel de Kapiteinshemel wordt genoemd. De houten huizen worden als het ware om de dijk heen gebouwd en kijken uit er over het water van het IJ. Je ziet er alle schepen voorbij komen, zoals in 1865 de Piet Hein met aan boord kapitein Meijer en de zeventienjarige passagier Ede Abraham Zeilinga.

Zeilmakerij Zeilinga in Nieuwendam was gevestigd in/achter het hoge huis met het puntdak. Collectie Wim Zeilinga.

Op de plek waar later het postkantoor van Nieuwendam wordt gebouwd, wordt een zeilmakerij gestart. Het latere nummer van de huizen is Nieuwendammerdijk 353 en 353a. Het gaat om twee ruime kavels, met daarachter nog een stuk ‘rietland.’ Het echtpaar betrekt een groot houten huis met een puntdak, dat later tevens als winkeltje zal worden gebruikt, als Ede te oud wordt om als zeilmaker te werken. De zeilmakerij zelf ligt er achter. Er hoort een flink stuk land bij. Dat zal ongetwijfeld nodig zijn geweest voor het uitspreiden van de zeilen. Die worden – net als de schepen – steeds groter.

 

Lollina Feijes Borst (Zeilinga).

Van het echtpaar Ede Abraham en Lollina zijn twee bij elkaar horende portretten bewaard. Daarvan zijn meerdere exemplaren van bekend, één in de familie, en één in museumbezit. Wie goed kijkt ziet meteen dat er iets geks met de portretten aan de hand is. Ze zijn gemaakt door de destijds bekende Amsterdamse fotograaf Albert Greiner. Deze opende zijn fotostudio in Amsterdam in 1862 aan de Nieuwendijk. Toen waren Ede en Lollina al geruime tijd dood. Wat we zien zijn dan ook geschilderde portretten die zijn gefotografeerd. De originelen van de schilderijen bestaan kennelijk ook nog. Ze zijn in familiebezit (waar????)

Ze tonen ons een voorname heer en dame. Hij heeft een zware jas met een witte das aan. Zij heeft opvallend kleurige Friese klederdracht aan met oorijzers, een muts, een zware halsketting met daarover een halsdoek. Dat alles is een stuk kleuriger dan de klederdracht die je meestal ziet. Het lijkt voor de hand liggend dat de foto’s zijn gemaakt om ook de leden van de familie die de schilderijen niet zelf hadden er in te laten delen.

Het Rijksbureau voor Kunstdocumentatie schrijft de portretten toe aan schilder Theodorus Bohres (1779-1852). Bohres was een Duitse schilder die door Nederland trok en zo’n 250 schilderijen van voorname personen heeft nagelaten. Tussen 1815 en 1820 woonde en werkte Bohres in Groningen. Een pastelportret van hem kostte in die tijd z’n acht gulden.

Klaas Klaassens de Waard

Lucina Thema, vrouw van Klaas Klaassens de Waard

Terzijde: in die Groningse tijd schildert Bohres ook de burgemeester van Grijpskerk, Klaas Klaassens de Waard, diens vrouw en hun zoon Klaas. Waarom hun dochter niet geschilderd is, weten we niet, maar voor dit verhaal is dat wel jammer. De dochter zal namelijk trouwen met kalkbrander en wijnhandelaar Cornelis Lambertus Bulthuis uit Hoogkerk. Enkele jaren nadat reisverslagschrijver Ede Abraham Zeilinga (de jongere) zijn reis op de Piet Hein maakt, trouwt hij met de dochter van Bulthuis. Hij zal zijn zoon zelfs naar zijn schoonvader vernoemen, Cornelis Lambertus Zeilinga, zoals we nog zullen zien.

Inburgering in Nieuwendam

Hoe is dat allemaal gegaan in die tijd? Ongetwijfeld kende Ede (de oudere) Amsterdam en Nieuwendam al voordat hij er naartoe verhuisde. Hij zal er contacten hebben gehad en zijn komst goed hebben voorbereid, bijvoorbeeld door afspraken te maken over de levering van zeilen.

Nieuwendam heeft nu nog steeds een haven en centraal daarin ligt een soort schuin aflopend plein. Het is de oude scheepshelling die al lang niet meer in gebruik is. De helling behoorde lang toe aan de scheepswerf Meursing. Ede’s nieuwe zeilmakerij ligt dichtbij de scheepswerf, en ik ga er van uit dat Zeilinga voordat hij zich in Nieuwendam vestigde al afspraken had gemaakt over het leveren van zeilen aan de werf, al wordt dat nergens vermeld.

Pieter Hendrik Kaars Seijpestijn

Misschien is dat ook gegaan via zeildoekleverancier Kaars Seijpesteijn. Het ligt voor de hand dat Zeilinga al zeildoek van die leverancier betrok toen hij nog op Schier woonde. De familie Kaars Seijpesteijn uit Krommenie, en met name Pieter Hendrik (ook wel Piet Hein, of alleen ‘Piet, waarnaar het schip van Meijer is vernoemd) is lange tijd een van de grootste zeildoekproducenten en scheepsreders uit Nederland. Zeildoek uit Krommenie stond bekend als het beste uit het land.
In 1867 varen er zo’n vijfentwintig schepen voor de broers Piet Hein en Brechtus Kaar Sijpesteijn. Ze halen hennep en potas uit Rusland voor de productie van zeildoek. De potas wordt gebruikt voor het bleken van de zeilen, want witte zeilen brengen meer op in de verkoop. Niet alleen Aldert Meijer, maar ook neef Zeilinga uit Sappemeer varen voor Kaars Sijpesteijn. Die rederij vaart vooral met kapiteins uit Schiermonnikoog.

De familie Sijpesteijn heeft in de omgeving van Krommenie zo’n tien windmolens, zogenaamde ‘beukmolens’, voor verwerken van de ruwe hennep tot vezels. Die vezels laat men door thuiswerkers spinnen en weven, tot banen zeildoek weven. Jaarlijks ongeveer 4200 rollen, zo’n 800 kilometer! Pas in 1889 wordt er voor het eerst ‘machinaal zeildoek’ gemaakt. Tot die tijd was het zwaar en slecht betaald handwerk. Een wever verdiende ongeveer zes gulden per week. Er werden meer dan twintig soorten zeildoek geproduceerd. volgens strenge kwalificaties.

Ansicht: haven van Nieuwendam

Amsterdam is altijd al een immigratiestad geweest. Men is er gewend aan nieuwkomers uit de provincie en het buitenland. De helft van de Nederlandse oorlogsvloot in de tijd van Michiel Adriaansz. de Ruijter bijvoorbeeld, bestond uit buitenlanders. Andersom zal het voor de mensen uit Schiermonnikoog wel erg wennen zijn geweest. Zij waren er aan gewend om hun eigen versie van het Fries te praten, en te wonen in een kleine overzichtelijke gemeenschap die in onze ogen behoorlijk primitief was. Nu woonden ze in – of vlakbij – de grote stad. Binnen zijn gemeenschap op Schier stond Ede in hoog aanzien, hier misschien minder. Al met al zal het flink aanpassen zijn geweest, nog meer reden om elkaar als Schiermonnikogers op te zoeken en de onderlinge banden goed te onderhouden.

Graanhandelaar Hendrik Cleyndert uit Nieuwendam

Al snel burgeren de Zeilinga’s in. Er worden contacten onderhouden met mensen die ook van Schiermonnikoog komen. En er worden contacten gelegd met de belangrijke families in Nieuwendam en Amsterdam. Leden van de familie Zeilinga trouwen bijvoorbeeld in, in de families Jaski (kapiteins,oorspronkelijk van Schiermonnikoog), Meursing (scheepsbouwers) en Bok (scheepstimmerlieden). Edes oudere zus Neeltje trouwt zelfs met Albert Cleyndert, telg van de machtige familie van graanhandelaars en scheepsreders uit Nieuwendam.

Ede’s oudste dochter Neeltje trouwt in 1833 in Nieuwendam. Haar huwelijkspartner is Benjamin Christiaan Jaski uit Schiermonnikoog. Hij komt uit een bekende zeevaartfamilie die zegt af te stammen van Poolse adel die toevallig op Schier terecht is gekomen. Benjamin is kapitein en de twee vestigen zich dan ook in Nieuwendam. Zoon Feije trouwt in 1839 in Amsterdam met een vrouw uit die stad als hij zijn zeilmakerij aan de Prins Hendrikkade start.

Schoener De Schone Zeebloem Kapitein Abraham Ede Zeilinga, 1848 Jacob Spin.

Tweede zoon Abraham Ede trouwt in 1843 in Nieuwendam echter weer met een vrouw uit Schiermonnikoog, en vaart als kapitein op de Schone Zeebloem. Hij trouwt met de twintigjarige Trijntje Meijer (1823-1859). Zijn zus Grietje Zeilinga trouwt drie jaar later met Trijntjes broer, kapitein Aldert Jacobs Meijer, mijn betovergrootvader. Ze doen dat ook in 1846 Nieuwendam. Trijntje en Aldert zijn elkaars enige broer en zus, en wonen nu vlak bij elkaar.

De moeder van Aldert en Trijntje was al in 1826 gestorven toen ze vijfentwintig jaar was, mogelijk aan complicaties bij de geboorte van haar twee kleine kinderen, Feye en Sibbeltje. Die worden allebei nog geen jaar oud en sterven in hetzelfde jaar als hun moeder. Aldert en Trijntje zijn pas vijf en drie jaar oud als dat gebeurt. Ze blijven dan alleen over met hun vader en opa. In 1842 overlijdt hun opa, tjalkschipper Aldert Jacobs Meijer, en in 1849 hun vader, kapitein Jacob Alders Meijer in het Pools/Duitse Altenau.

De werf Meursing

We hebben gezien dat de verhuizing naar Nieuwendam plaatsvond rond 1833. De nieuwe zeilmakerij aan de Nieuwendam heeft een bijzonder uitzicht: over de haven en een scheepswerf. De locatie zal niet toevallig zijn. Hoewel er niets over te vinden is, is het waarschijnlijk dat de verhuizing van zeilmaker Ede Abrahams Zeilinga in verband staat met deze scheepswerf. Kort nadat de Zeilinga’s verhuizen naar Nieuwendam, gaat de werf over in andere handen. Die scheepswerf heeft nog een belang voor ons verhaal. Daar worden de schepen gebouwd waarmee de familie vaart, zoals de Piet Hein die het decor voor het reisverslag vormt. En de werf wordt in Ede’s reisverslag zelfs expliciet genoemd.

De scheepswerf in Nieuwendam is aanvankelijk in het bezit van Jan Goedkoop (1781-1855). Deze komt uit een geslacht van turfschippers, maar hij bouwt een groot handelsimperium op. Als Jan sterft laat hij een vermogen van omgerekend naar nu zo’n vijf miljoen euro na. In 1826 startte Goedkoop een lichterdienst van Amsterdam naar Nieuwediep over het Noordhollandsch Kanaal. Daartoe bracht hij drie nieuwe schepen in de vaart, die voortgetrokken werden door de jaagdienst. Twee jaar later werd hem door de gemeentes Den Helder en Amsterdam vergunning verleend om deze dienst als beurtvaart uit te voeren. Daaraan waren diverse voordelen verbonden, zodat Goedkoop een belangrijk vervoerder werd op dit traject. De meeste kapiteins die op Amsterdam voeren, zullen hem of zijn naam gekend hebben. Ook begint Goedkoop een rederij en een scheepswerf. Die worden later door zijn zoons voortgezet. Vanaf 1855 bouwen ze een vloot aan stoomschepen op.

Goedkoop heeft ook de werf in Nieuwendam in zijn bezit, maar verkoopt deze in 1836 aan een Groningse herenboer, Wicher Hooite Meursing (1770 – 1834). De Meursings waren Groningse herenboeren, die daarnaast al in de 17de eeuw schepen bouwden voor de turfvaart en later voor de kleine kustvaart. eed dat op zijn werf in Kalkwijk. Wichers zoon Hooite Wichers Meursing (1802-1847) was aanvankelijk herenboer maar keerde terug naar de scheepsbouw. En toen deed hij iets dat in onze hedendaagse ogen zeer vreemd is, maar ook toen al een heel avontuur. Hooite had drie zeer jonge zonen van zestien, vijftien en twaalf jaar – Wicher, Emmo en Aalrik – die niet wilden deugen voor school. Bovendien zag hij dat de scheepsbouw in Groningen flink werd gehinderd door de veel te smalle kanalen en bruggen. Daarom kocht hij van Jan Goedkoop de werf in Nieuwendam, die naar verluid in verwaarloosde toestand verkeerde.

Een goede zet. De jonge Wicher, Emmo en Aaldrik werden daar in het diepe gegooid, samenwonend met een huishoudster en een meesterknecht. De meesterknecht Tieman Bok verdiende zo’n tweehonderd gulden per jaar, de huishoudster 20 gulden per kwartaal. De werf met gereedschap en grond werd gekocht voor 8000 gulden. Voor 7600 werd er een nieuwe loods geplaatst. En, wat niet te verwachten was: het werd een groot succes. Al in 1839 is het eerste schip klaar. Uit de boeken van Meursing blijkt dat Ede Abrahams Zeilinga de zeilen voor schepen levert.
Van de drie zoons Meursing was Wicher de enige met ervaring. Hij was al van school af gegaan toen hij twaalf was en had sindsdien op een werf gewerkt. In een korte terugblik op zijn leven vertelt hij veel dat voor ons interessant is. Hij vertelt ons in krakkemikkig Nederlands bijvoorbeeld hoe zijn vader op het idee kwam om een werf aan de andere kant van het land te kopen. Dat ging via de kapitein van een schip dat Wicher hielp bouwen

(uit 1986 (mcmlxxxvi) jaarboek 78 – Amstelodamum):
De eene daarvan kreeg als kapitein Jochum de Jong die mijn vader vertelde dat er te Nieuwendam bij Amsterdam eene werf te koop was geschikt voor reparaties en grootere schepen te kunnen bouwe. Mijn vader ging met die kapitein in het begin van 1837 daar naar toe en kocht van Jan goedkoop de werf te Nieuwendam met rietland, kerklandje en al het scheepstimmergereedschap voor f 8000.

Vervolgens vertelt Wicher iets over zijn reis van Groningen naar Nieuwendam. Die verliep via een iets andere route dan die vanaf Schiermonnikoog, maar laat wel iets zien van de indruk die de grote stad op nieuwkomers maakte. ‘De groote beroemde stad Amsterdam.’
(…) Mijn vader bracht zijn 3 zoons van Groningen eerst met de Binnen Lemmers Veerschuit naar de Lemmer en toen des avonds +/- zeven uur in de Buiten Lemmers Veer over de Zuiderzee, schipper Wiersma, en sliepen ’s nachts goed. Des morgens om zes uur ontwakende zagen wij voor ons op het Y de groote beroemde stad Amsterdam.
Toen stapten vader en zijn zoons naar de Nieuwe Stadsherberg, lieten ons met een tolschuitje overvaren naar het Tolhuis, gingen over de Willemsluis en wandelden zoo naar Nieuwendam. Daar stond een dubbel woonhuis op de werf, wij gingen wonen in het voorste gedeelte en Tiemen Bok, onze zetbaas in het achterste gedeelte wonen.
Broer Emmo ging al snel terug naar Groningen, om daar op verzoek van zijn vader een andere werf te gaan exploiteren. Wicher en Aaldrik werden na de dood van hun vader in 1847 eigenaren van hun werf in Nieuwendam. Dat was in het begin zuinig leven. Wicher schreef later zijn succes toe aan Groningse nuchterheid. ‘Hadden wij op Hollandsche manier geleefd, dan had het spoedig mis geweest.’

Tot begin 1847 werd de werf voor vader Hooites rekening geëxploiteerd door zijn zonen. Toen kreeg hij alle handelskapitaal dat hij er in gestoken had terug met een meerwaarde van + f 49000,-. Het levensonderhoud van de jongens en de huishoudster had in die tien jaar f 12225,- gekost, Verdiend was er dus f 61225,-.

Nu ze op eigen benen staan, koopt Aaldrik voor 900 gulden het toen nieuwe huis aan de dijk aan, dat nog steeds uitkijkt over de werf. De woonruimte die daarmee vrij komt op de werf kan worden gebruikt om kapiteins tijdelijk onderdak te bieden als hun schip er wordt gebouwd.

(foto huis nog invoegen)

In 1850 kopen de broers er werf De Nachtegaal op het Bickerseiland in Amsterdam bij, en in 1857 Concordia op Oostenburg. Wicher verhuisde naar het Bickerseiland (waar hij ook een machinefabriekje begon), Aaldrik bleef in Nieuwendam. Geleidelijk verslechterde hun verstandhouding en in 1876 werd de firma Meursing & Co, gesplitst. Aanvankelijk boekten de Meursings succes met hun grote zeilschepen, maar na 1870 kregen ze het moeilijker door de opkomst van de stoomvaart en de crisis in de scheepsbouw. In 1887 hield Aaldrik ermee op. De laatste jaren in Nieuwendam bouwde hij naar eigen ontwerp een serie van zeven grote klipperschepen, die allemaal naar de liberale voorman Thorbeckes worden vernoemd. Deze schepen hebben in zeilvaartkringen grote bekendheid verworven.

Het eerste schip dat op de werf in Nieuwendam gebouwd wordt is in 1839 de Drie Gebroeders, een driemaster die elf jaar later verongelukt in het ijs van de Witte Zee. Als mijn aanname goed is, zal ook de driemaster voorzien zijn geweest van zeilen van zeilmakerij Zeilinga. Daarna wordt er doorgebouwd in een tempo van één, twee en soms zelfs drie schepen per jaar. In 1848 wordt er  bijvoorbeeld de Zeebloem gebouwd voor reder Willem Kaars Sijepestein. Zeilmaker F. Zeilinga levert de zeilen voor f9179,-. Kapitein wordt de oudste zoon, Abraham Edes Zeilinga, die er tot 1857 op vaart. In 1851 wordt de Piet Hein (I) er gebouwd voor kapitein Aldert Meijer. (Daarvan zijn de zeilen  ook geleverd door F.Zeilinga).  De twee zwagers Aldert en Abraham varen dus op schepen die sterk op elkaar lijken, en voor dezelfde rederij.

Hoe goed waren die schepen?

‘We kregen veel schoeners en barken besteld meer als we afkonden; de schepen voldeden altijd goed enkel was het wel eens dat er een beetje vuur (koude rot, miv.) in kwam,’ schrijft Wicher in zijn terugblik.

In 1847 overlijdt vader Meursing in Hoogezand. Vader was ‘te lastig en opvliegend,’ schrijft Wicher. ‘In de zomer van 1847 is mijn vader te Hoogezand overleden, verzwakt door langdurig misbruik van sterke drank; was anders een zeer vlug en sterk mensch doch doorlopend driftig.’
Na zijn dood werden Wicher en Aaldrik in 1847 eigenaren van hun werf. Aaldrik blijft in Nieuwendam. Hj is dan nog steeds erg jong, slechts 21 jaar. Volgens zij broer moest hij alles nog leren. Toen Abraham Edes Zeilinga en Aldert Meijer er hun schepen de Zeebloem en de Piet Hein lieten bouwen, was dat dus niet de beste tijd voor de scheepswerf. Soms ging het goed fout, zoals onderstaand verhaal – verteld door zijn soms wat rancuneuze broer Wicher – laat zien.

Zijn eerste schepen, althans die hij te Nieuwendam bouwde voeren meest lek, onder anderen de schoener Honingbij, voor rekening van Spekham Duivis van de Zaan, daar hielden wij ‘/s aandeel in. Toen dat schip in het Oosterdok te Amsterdam bijna beladen was bestemd naar de Middellandsche Zee, was het zoo lek dat de experts wilden dat het schip weer lossen zou en ik was er ook voor.
Hij zeide dat zou wel digt trekken; de kapitein had er ook veel bezwaar in maar was een te goede man en zoo ging het schip toch in zee en zonk op de Italiaansche kust, met goed weer, alzoo kwam de equipage er goed af. Dit deed de firma veel schade in renommee, maar daar wij de schepen reeds gingen bouwen op avontuur zonder bestelling kwamen wij dat ligt weer te boven.

In de rekeningboeken van de firma vindt ik onder de naam van dit schip inderdaad een kwaad bijschrift van dezelfde strekking. Arme kapitein Arend Jans Oltmans die dit rampschip had moeten varen. Na dit debacle laat zijn rederij meteen een nieuw schip voor hem bouwen, maar wel bij een andere werf.

Links onder de kwade notitie van Wicher Meursing: ‘Nooit digt geweest!’

Later wordt de kwaliteit van de schepen beter. Tijdens de ‘Enquête omtrent den toestand van de Nederlandsche koopvaardijvloot’ die de Tweede Kamer in 1875 houdt, worden de scheepswerven in Holland beter genoemd, ‘vooral die, die te Nieuwendam door den heer Meursing worden gebouwd.’ (p.382)
Het zou me niet verbazen als de zoons een aardje naar hun vaartje hadden. Wicher beschrijft zijn broer in ieder geval als ‘scherp en lastig, niet om uit te houden.’ Zelf zal hij waarschijnlijk ook niet de gemakkelijkste zijn geweest. In ieder geval lopen de spanningen tussen Wichter en Aaldrik zo op dat ze uiteindelijk in 1876 besluiten te boedel te scheiden. De ruzies zouden gaan over de kwaliteit van de schepen maar de karakters zullen ook hun rol hebben gespeeld. Hoe de boedelscheiding ging?
‘Mijn groot nadeel is geweest, dat ik de werf te Nieuwendam niet gekregen heb omdat het werkvolk daar geschikt en goedkoop is. Er is om geloot en het lot was mijn broer gunstig, was het mij gunstig geweest dan had hij de boel in de war gegooid tot zoo lang hij zijn zin had. Dit is natuurlijk volgens mijn idee en ondervinding,’ schrijft Wicher.

Er is dus geloot wie wat zou krijgen. Aaldrik zet de scheepswerf in Nieuwendam voort, zijn broer die in Amsterdam. Aaldrik zet de scheepswerf nog een tijdje door, tot de crisis in de scheepsbouw echt toeslaat. Hij stopt er in 1887 mee en gaat rentenieren. De plotselinge sluiting van de scheepswerf zal ongetwijfeld een schok zijn geweest voor de zeilmakerijen.
Twee zeilmakerijen Zeilinga

Zeilmakers aan het werk bij Zeilinga. Waarschijnlijk aan de Prins Hendrikkade in 1916

Zoals ik al vertelde, is er over het vak van de zeilmaker weinig te vinden. De enige ervaring die ik vind, staat in een boek uit de jaren 70. Waarin heeft Hylke Speerstra de herinneringen van de laatste zeilvaarders opgetekend. In een kort stukje (P65) kijkt ook een zeilmaker terug op zijn werk. Het laat zien hoe zwaar het werk van de zeilmaker was, de hele dag met je blote handen naalden door het zware zeildoek werken:

Vertel me niet dat het leven vroeger harder was dan nu. Ik heb de tijd nog meegemaakt dat ik als knechtje bij zeilmakerij Pasveer zingend zat te zeilnaaien. Je moest zien tien steken op de lengte van de naald te houwen. En dan samen werken aan een groot schoenertuig. Eerst het zeilgaren teren. Dat was toch mooi werk. Je had toen uren nodig om twee banen van veertien meter aan elkaar te naaien.
’s Morgens heb ik wel eens het gevoel gehad van ‘dit red ik vandaag niet.’ Dan kon ik wel janken van de pijn. Die naald moest je door het zware hennepdoek zien te krijgen. Je vingertoppen leken dan soms verse lappies spek. ‘Deurgaan,’ zeiden de ouwen toen nog tegen de jongen. En dan ging je deur, want de ouwen waren toen nog de baas. En als je niet meer kon, dan greep je naar de tang, om zo de naald er door te trekken.
(…) Achteraf bekeken begrijp ik niet dat er eind vorige eeuw nog wat aan het zeilmaken werd verdiend. We rekenden tachtig cent de el. In het grootzeil van een schoener ging 400 el, in de bezaan 200 el, de vier fokken moeten 100, 60, 40 en 30 el zijn geweest. Met een paar centen winst op de el was zo’n tagrijn al lang tevreden.

Hoewel er weinig over is vastgelegd, staat vast dat het zeilmaken vakwerk was. In de boeken van Kaars Sijpesteijn worden bijvoorbeeld als meer dan 20 soorten zeildoek genoemd. De zeilen boven in de mast maakte men van licht zeildoek, want die stonden alleen bij, met mooi weer. De onderste zeilen moesten ook een storm kunnen doorstaan en waren daarom van zwaar zeildoek. Aan een beetje klipper hing al snel zo’n duizend kilo zeil. Elk zeil moest precies op maat zijn en zo sterk mogelijk, want de kapiteins waren kritisch..

Uit huis

Hoe is verder gegaan tussen de broers en zussen Zeilinga in Nieuwendam?
Feije Zeilinga (1815 – 1866) is de oudste zoon. Hij gaat al snel het huis uit. Al in 1839 begint hij een eigen zeilmakerij, dus niet lang nadat zijn vader in Nieuwendam is begonnen. Feije start voor zichzelf aan de andere kant van het IJ, aan het waterfront van Amsterdam.

Zijn vader Ede werkt tot zijn dood in 1853 door in Nieuwendam. Edes zoon Jacob komt er later bij in de zaak en neemt die dan over. Dan zijn er nog twee jongere broers over. Abraham Ede Zeilinga wordt – zoals we hebben gezien – kapitein op de Zeebloem. Broer Haike wordt koopman. Hij gaat een avontuur aan met Jeppe Meijer in de boter en kaas. Jeppe is trouwens ook afkomstig van Schier en verre familie.

Feije Zeilinga. Collectie Wim Zeilinga.

Over de begintijd van Feije in Amsterdam zijn we slecht ingelicht. Er zijn geen archieven bewaard en er wordt nog niet geadverteerd. Als ik al bijna de hoop heb opgegeven om nog iets te vinden, tref ik in een sportblad uit het begin van de twintigste eeuw een kort artikeltje aan dat het kale geraamte van jaartallen iets inkleedt. Zeilinga is in die tijd een vaste adverteerder van Revue der Sporten, dat zich kennelijk in 1916 genoodzaakt voelt om eens iets terug te doen in de vorm van een aardig en lovend artikeltje.

De Firma Zeilinga dateert al van jaren her. In 1839 vestigde zich de heer Feye Zeilinga immers als zeilenmaker aan den Droogbak te Amsterdam, waar in den beginne op bescheiden voet gewerkt werd, een arbeid evenwel, die zich gestadig uitbreidde, ook onder den opvolger des heeren Feye Zeilinga, diens zoon J.J. Zeilinga, die destijds als technisch adviseur aan de Marine-werf te Amsterdam werkzaam was.

Feye lijkt zich eerst in een kelder aan de Droogbak te hebben gevestigd. Voor wie Amsterdam tegenwoordig per trein binnenkomt: rechts tegenover het station. Daarna verplaatst de zeilmakerij zich naar de Prins Hendrikkade.
Hoe die uitbreiding geschiedde, wordt wel het pittigst gedemonstreerd door het verhaaltje over de verschillende werkplaatsen. Arbeidde men aanvankelijk in een kelder, daarna in een groot oud pakhuis, waar het licht en de ventilatie veel te wenschen overlieten, sedert 1903 is een nieuwe fabriek van 16 bij 6 meter in gebruik genomen, lokalen vol licht en ruim voldoende aan de moderne eischen.

Feye is op 2 september 1839 ingeschreven in een woonhuis aan de Gelderse Kade in Amsterdam, vlak bij zijn werkplek aan de Prins Hendrikkade. Zijn woonadres draagt eerst de nummers 45/44 en later 444. Beroep: Zeilenmaker. In datzelfde jaar is hij getrouwd met Anna Catharina Berke, een winkeliersdochter. De ambtenaar kan flink doorgaan met inschrijven, want het echtpaar krijgt zes kinderen.

Het eerste kind is een zoon die naar de vader van Anna wordt vernoemd: Jan Jurgen. Na twee dochters – Lollina en Alida – volgt de tweede zoon, op 19 april 1848. Nu is Feye aan de beurt om te vernoemen. De keuze valt op ‘Ede Abraham, de naam van zijn vader. Het is deze Ede Abraham die in 1865 ons reisverslag schrijft op dus 17-jarige leeftijd. Er volgen nog twee dochters, Neeltje en Grietje. Ook heeft het gezin een inwonende dienstbode, zoals blijkt uit de inschrijving. Uit een advertentie die ik later in een krant vindt, blijkt dat het ook nog een hond heeft gehad: Black. Niet het vriendelijke type, want als hij vermist is blijkt het zwarte dier volgens de omschrijving een muilkorf te hebben gedragen. Misschien was het een hond die de zeilmakerij moest bewaken.

‘Eerste experiment electrisch laden en losschen.’ (19290. Rechts achter toevallig: Zeilmakerij Zeilinga. PH kade 120

 

Het oude pakhuis waarvan sprake is in het citaat uit Revue der Sporten is de bedrijfsruimte, aan de Prins Hendrikkade 120. Daar heeft de zeilmakerij meer dan een eeuw gezeten. Locatie: vanuit het station links af, een paar honderd meter doorlopen. Het pakhuis staat er nog steeds maar is nu een hotel. Op een enkele oude foto is het nog te zien met een groot bord Zeilinga op de gevel. Voordat het de Prins Hendrikkade ging heten, werd de plek ‘de Buitenkant’ genoemd. Aan de andere kant van dat woningblok ligt daarom de Binnenkant, die nog altijd zo heet. Daar, op Binnenkant 38 is het kantoor van de zeilmakerij gevestigd.

Zeilmakerij Zeilinga  met winkel, rond 1929, detail vorige foto.

De Prins Hendrikkade is in die tijd een plek waar veel bedrijven zitten die met de zeevaart te maken hebben, zeilmakers, cargadoors en assuradeurs. Op nr. 189 zit de Kweekschool voor de Zeevaart. De plek grenst heel handig aan het Oosterdok, de binnenvalhaven voor veel zeevaarders, en later aan de De Ruijterkade, de aanlegplaats voor stoombootdiensten.

Oosterdok in 1865.

Bij de precieze straatnummers van de Zeilmakerij moet ik een slag om de arm houden, want er duiken af en toe ook andere straatnummers op, waarbij me niet duidelijk is of het gaat om veranderende straatnummering, of daadwerkelijke verplaatsing van het bedrijf. Soms wordt de Prins Hendrikkade 109 genoemd, en de Binnenkant 37. Ik neem aan dat het om omnummeringen gaat.

Zeilmakerij in Groningen

Feye Zeilinga wordt niet oud. Hij sterft in 1866 al op 55-jarige leeftijd.  Vier jaar voordat Feije overlijdt, begint er al een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van zeilmakerij Zeilinga, dat van zijn zoons. Amsterdam pocht er graag op dat het een grote zeehaven is, maar in de negentiende eeuw speelde zich een belangrijk deel van de scheepsbouw af in Groningen. Daar werden meer schepen gebouwd dan in Amsterdam. Ze zijn doorgaans wel een stuk kleiner dan die in Amsterdam gebouwd worden, maar toch, het is een markt die de moeite waard is. In 1862 begint F. Zeilinga een filiaal aan de Noorderhaven in Groningen, dat onder leiding komt van Jan Jurgen en Ede Abrahams.

Laden en lossen bij Noorderhaven rond 1900. Pand 48 heeft dan nog een takel in de nok.

Meer hierover leest u in deel II van dit blog over 2 eeuwen zeilmakerij Zeilinga.

De rode DAF in de bergen. Een verhaal over ongelofelijk veel toeval. Of niet?

20170120_152216

Hoeveel toeval kan een mens verdragen? En waar is het goed voor? Ik vraag het u af.

Er zijn van die toevalligheden die me mijn hele leven zijn bijgebleven, en waarvan je het gevoel hebt dat ze een diepere betekenis moeten hebben. Maar welke?

Eén daarvan speelde zich af op een oude Romeinse weg in Oostenrijk. Ik ben er mijn leven lang over blijven piekeren. Ik was dertien en zat achter in de grote rode Ford Taunus van mijn vader. De auto was vol met koffers en ons gezin naar Oostenrijk gereden voor alweer onze tweede vakantie in dat land. Vader, moeder, zusje en ik.

Veertien dagen waren we in Oostenrijk en telkens kwamen we langs onze ‘rampplek.’ De weg kronkelde zich een pad door de bergen, en wij kronkelden mee, terwijl de zware automotor gezellig snorde. ‘Kijk daar was het vorig jaar!’ wezen we naar beneden. In de diepe vallei onder ons was door mistflarden heen iets te zien dat leek op een oude stenen weg met een ruïne er naast. Haast onzichtbaar, maar wij zagen wat daar een jaar eerder diep in ons geheugen was gegrift: een weg die duizenden jaren geleden door de Romeinen was aangelegd door de Alpen. Romeinse degelijkheid, die er voor zorgde dat de route twee millennia later nog steeds begaanbaar was. Maar: aan haarspeldbochten deden de oude Romeinen niet. Als de weg omhoog ging, dan ging hij recht omhoog. Stijl en genadeloos.

Nu werden we er niet meer warm of koud van, maar hoe anders was was onze situatie een jaar daarvoor. Toen was ik twaalf, en voor het eerst op vakantie in het buitenland. ‘Kijk bergen!’ zei mijn moeder ergens halverwege Nederland en Oostenrijk. We reden over de Duitse autobahn en voor het eerst in mijn leven zag ik bergen. Het geluid van de auto veranderde ondertussen langzaam, van een zacht gepruttel in een oorverdovend geronk. Toen horen en zien ons tenslotte vergingen, stopten we bij een praatpaal en belden we de wegenwacht. Die boog zich over de auto, keek fronsend en constateerde ‘Auspuff.’ De uitlaat was kapot. Ergens in het ding zat een gat, zodat de knaldemper het niet meer deed. De motorgeluiden konden zich een uitweg zoeken zonder ergens enige demping te ondergaan. Geen echt probleem, wel hinderlijk: ‘U kunt gewoon verder rijden.’

Dus verder gingen we in onze rode DAF 44 richting Oostenrijk. Omdat het voertuig nogal klein was voor een gezin op vakantie, was het opgetuigd met een groot imperiaal op het dak. Daarop zaten nog eens drie koffers vastgesjord. Mijn vader had uiteraard graag een grotere auto gehad dan een DAF en had daar zelfs genoeg geld voor. Er was echter één probleem: mijn vader had maar één arm. Iets met de oorlog…

Terwijl de buren tijdens de loonexplosie in de jaren 60 van hun snel groeiende inkomens grote Volvo’s en Peugeots kochten, mocht mijn vader blij zijn dat deze meest Nederlandse van alle auto’s op de markt kwam. Een auto die je niet hoefde te schakelen, en dus kon rijden met één arm. Aan de ene kant mooi dat hij nu een auto had, maar tot zijn grote ongenoegen moest pa het dus doen met de auto ‘met het pientere pookje,’  die hoewel de DAF technisch gezien juist zijn tijd zover vooruit was, het autotype al snel de bijnaam ‘truttenschudder’ bezorgde. Als ambitieuze jongeman wilde je er niet in gezien worden..

Toch was het een tof karretje, maar met in ons geval nog één nadeel. Behalve de kapotte uitlaat had hij nóg een defect: de motor draaide nog maar op drie van de vier cilinders, en was dus flink wat vermogen kwijt. Daar kwamen we echter pas officieel achter toen we terug in Nederland waren. Onderweg naar Oostenrijk werden we echter keihard met de gevolgen geconfronteerd.

Nauwelijks waren we het prachtige Oostenrijkse berglandschap ingereden, of er was een omleiding. Zonder dat we begrepen wat en hoe, werden we inclusief ons rode bakkie via een steile weg naar beneden gedirigeerd. Daar belanden we op die oude Romeinse weg. De stenen waren uitgesleten en bemost. De route voerde ons door een – zo te zien middeleeuwse – ruïne waar wat schimmige armoedige mensen onheilspellend rondliepen en wasgoed wapperde aan een lijn. Ik denk dat het zigeuners waren.

Na een kilometertje of wat voort gehobbeld te hebben, kwamen we bij een stuk waar iemand het verkeer stond te regelen. Mijn vader was zichtbaar in verwarring. Wat gebeurde hier? En waarom werden we aangehouden? Nadat de korte file voor ons zich had opgelost, kwamen we aan bij de verkeersregelaar, maar zijn doel werd ons niet duidelijk. Althans… te laat. Het was de bedoeling geweest, dat iedere auto een aanloopje kon nemen en vrij baan kreeg de helling op. Onze auto zette zich echter meteen in gang, de steile helling op met onvoldoende afstand tot de voorganger. Plotseling begon mijn vader te vloeken en te tieren. Die auto voor ons! Die ging opeens zomaar stilstaan! Dat kon niet!

Maar het kon wel. Onze voorganger kwam er achter dat de helling te stijl was om in de tweede versnelling tegen op te rijden, en schakelde naar de eerste. Langzaam kwam hij weer op gang. Maar wij niet. Bij onze DAF viel immers niets te schakelen en bovendien was de motor deels defect. Daar stond hij: met vier man er in, een afgeladen bagageruimte, en drie zware koffers op het dak. De motor zonder auspuff maakte een indrukwekkend geluid maar de auto gaf geen krimp.

‘Eruit!’ luidde het adequate bevel van mijn vader en daar gingen we. Mijn moeder en ik elk duwend aan één kant en mijn zusje op veilige afstand. Gelukkig, want toen vader de auto van de handrem haalde, rolde de wagen achteruit en konden we nog net op tijd aan de kant springen.

Hoe we ten slotte toch de berg weer zijn opgeraakt kan ik me door alle opwinding niet meer echt herinneren. Wel hoe het verder ging. Eenmaal aangekomen in vakantiebestemming Imst kon ons hotel niet meer ver zijn. Maar waar was het?

Na veel rondvragen trof mijn vader iemand die het leek te weten. Imst Karrösten? De Oostenrijker vertelde mijn vader in voor mij onverstaanbaar Duits hoe we verder moesten en wees daarbij onheilspellend omhoog. De bergen in.

En daar gingen we. En ik moet zeggen, onze nationale trots weerde zich dapper. Haarspeldbocht na haarspeldbocht werd gerond, hoger en hoger de bergen in. Tot we dan eindelijk in het gezochte Karrösten waren, en klein dorpje vlak onder de Alpenwiese.  Maar waar was nu ons pension? Niemand scheen het te weten. De familie Oppel dan? Geen mens die het wist. Tot eindelijk, er iemand ons antwoord gaf, voorover gebogen, vertrouwelijk fluisterend in het oor van mijn vader. “Ziet u dat gebouw waar u nu pal voor staat? Dat is het. Alleen…. de familie ligt niet goed hier in het dorp….niemand wil nog iets met ze te maken hebben….iets met de oorlog…”

Zucht. Diepe zucht. We waren er bijna. Tenminste….voor ons zagen we een lange oprijlaan naar ons vakantieverblijf opdoemen, die minstens zo stijl was als onze wegomlegging. Wat te doen?

Veertien dagen lang heeft het Oostenrijkse dorp Karrösten zich kunnen verbazen over een kleine rode DAF die al aan het ene kant van het dorp luid begon te toeteren, terwijl de auto zich plankgas over de smalle asfaltweg door het dorp werkte, om daarna met hoge snelheid de oprijlaan naar de familie Oppel op te rijden, en tenslotte bijna kruipend op haar laatste adem de parkeerplaats naast het pension te bereiken. Vakantie….

Toeval

Maar wat is nu dat ongelooflijke toeval, dat ik u in het begin van dit verhaal beloofde? Nou, hier komt het. Het was nu dus een jaar later. We zaten inmiddels in onze grote Ford Taunus automaat. Leve de vooruitgang! Ons zou niets meer gebeuren.

“Kijk daar moesten we vorig jaar naar beneden..” gniffelden we, terwijl we keer op keer lang onze ‘rampplek’ kwamen. Tot we tot onze grote verbazing een week later op dezelfde plek weer door een verkeersregelaar werden aangehouden. En weer gingen we naar beneden. Dit keer waren we echter vol vertrouwen. Grote auto, zware motor, en zelfs de auspuff was o.k.

Na een korte stop bij de tweede verkeersregelaar: daar ging hij weer! De helling op. Geruststellend ronkte de motor onder de motorkap, het leek wel kermis. Tot het gebeurde. Pal voor onze neus kwam een auto tot stilstand op de steile helling. Een rode DAF 44. Er stapten een man en een jongen uit. Vader en zoon. Mijn blik viel van het Nederlandse nummerbord op de kunsthand van de vader. De man miste zijn linker arm, precies zoals mijn vader!

Meteen stapten we uit en hielpen. Met vereende krachten lukte het snel om de DAF aan de gang te krijgen en al snel bereikte hij de gewone weg en daarmee het einde van de omleiding.

Meteen maakte het gebeuren enorme indruk op me. Hoewel dertien en nooit een ster in wiskunde en kansberekening, was me meteen duidelijk dat hier iets bijzonders was gebeurd. Iets was je toeval kunt noemen. Of zelfs ongelofelijk toeval. Want hoe groot is de kans dat twee rode Nederlandse DAF’s met daarin een bestuurder met één rechter arm, vast komen te zitten op precies dezelfde plek? En hoe groot is dan de kans, dan de inzittenden van de eerste DAF er dan een jaar later meteen bij zijn om de tweede DAF te helpen?

Ongelofelijk toeval

Gelooft u in toeval? Aan het eind van de vakantie reden we terug, zoals altijd in twee dagen. Tijdens een pauze tijdens de tweede rijdag stelde mijn vader een pauze voor. We stopten bij een meertje in Duitsland. De roeiboten ter plekke zagen er aanlokkelijk uit, dus huurden we er eentje. Moeder en ik roeiden om beurten. Tot we opeens vanuit één van de andere bootjes hartelijk begroet werden. Het waren de vader en zoon van de DAF die we in Oostenrijk hadden geholpen!

Gelooft u in toeval? Ik ook. Maar er zit ook een grens aan wat ik kan geloven. Soms wordt toeval ondragelijk. Hoe groot is de kans dat de inzittenden van twee roden Nederlandse DAF’s – beiden met één arm – elkaar helpen op precies dezelfde plek in de bergen. En elkaar vervolgens een week later elkaar vijfhonderd kilometer verderop tegenkomen terwijl ze aan het roeien zijn op een willekeurig Duits meertje?

Gelooft u mij, er zit een grens aan wat ik aan kan, qua toeval. Maar als het geen toeval was, wat was het dan? Ongetwijfeld had de gebeurtenis een betekenis. Maar welke? Daarover ben ik nu dus al zo’n 43 jaar tevergeefs aan het denken. En nu zit u er mee opgescheept. Ik vraag het u af. Als u een goede verklaring of de betekenis weet,…. u weet me te vinden.

Trumps boodschap aan de mensheid: its the banen stupid!

wall

 

Republikein als regel, democraat als uitzondering

‘Donald Trump heeft gewonnen. Hoe is het in godsnaam mogelijk?’  Dat vroeg ik me vanmorgen af toen ik me de slaap uit de ogen wreef en het eerste nieuws van de dag bekeek. In ogen van iedereen die ik ken is Trump een ongewone en gevaarlijke man.

Maar nu ik er over denk is het niet zo vreemd. Ten eerste klopt de voorspelling van documentairemaker Michael Moore, met al de redenen die hij daarvoor aanvoert, zoals dat veel mensen gewoon nieuwsgierig zijn wat er gebeurt als Trump aan de macht komt.

Maar eigenlijk: alle republikeinen zijn in Europese ogen vreemd met hun christelijke gedweep en hun hate speech. Trump is een republikein in overdrive. Alle ‘gewone republikeinse dingen’ doet hij alleen wat extremer: groffe taal, hate speech, demonisering van politieke tegenstanders, een volkomen weigering samen te werken met mensen van de andere politieke partij. En natuurlijk: belastingverlaging voor de rijken.  Alleen het schijnheilige christelijke sausje ontbreekt bij Trump.

Republikeinse politici en media doen niet anders, en als er democraten aan de macht zijn, hebben republikeinen maar één doel: het democratische proces blokkeren waar het maar kan om de democraten dwars te zitten.

En toch winnen Republikeinen de presidentsverkiezingen altijd, behalve als er eens een uitzonderlijk slechte republikeinse president is. Zoals de democratische Obama alleen maar aan de macht kwam nadat Bush  er een uitzonderlijke puinhoop van had gemaakt en de VS ten onder liet gaan in het moeras dat Irak heet.

Niets nieuws dus eigenlijk. Een republikeinse president is in de VS de regel, een democraat is een uitzondering. Obama is in veel opzichten een  zwakke president geweest. Het past dus volkomen in het patroon dat de republikeinen nu winnen. 

Geen keuze

Of is er toch iets uitzonderlijks? Volgens mij wint Trump op één belangrijk punt. Hij kan zeggen wat hij wil, beledigen, liegen, discrimineren, het wordt hem niet aangerekend, zolang hij maar banen beloofd. Echte banen, zoals Amerikanen zich die herinneren van de jaren 50 en 60. Banen zoals in de tijd vóór het neoliberalisme. Make America Great Again!

Hé, waarom zegt Hillary dat niet? ‘Ik ga zorgen voor echte banen!’

Geen idee, maar feit is dat het regeringen tegenwoordig niet meer lijkt uit te maken of mensen (echte) banen hebben. Europa heeft er natuurlijk ook een handje van, banken zijn belangrijk, maar mensen niet. We hebben het overal in Europese landen gezien tijdens de crisis. Europa greep de crisis aan om massaal banen te vernietigen met een volkomen minachting voor het welzijn van haar burgers. In landen als Griekenland, Spanje, Portugal heeft bijna niemand meer werk, maar ook onze eigen regering heeft de afgelopen periode meer dan 400.000 banen nodeloos vernietigd.

Ook de mensen die nog wel werken hebben steeds minder bestaanszekerheid. Overal waar ik mensen spreek hoor ik hetzelfde verhaal. Mensen zijn bang. Bang voor hun baan. Niet alleen in de VS, maar in de hele westerse wereld. Bang voor hun baas die hen uitknijpt en bedreigt, die ze ziet als wegwerpproducten. In veel bedrijven heerst een constante angstcultuur, waarbij ‘einde contract’ of ‘reorganisatie’ de voortdurende stok achter de deur is. En altijd dreigt de Voedselbank.

Armoede en angstcultuur

Alleen als je het niet wílt zien, kun je niet zien waar het in deze Amerikaanse presidentscampagne om draaide. Mensen met goede banen (de elite) tegen de rest. Zelfs mensen die wel werken kunnen in de VS vaak niet meer rondkomen omdat er alleen nog maar zgn. hamburgerbanen zijn. Ze werken in twee of drie banen tegelijkertijd, en kunnen dan nog nauwelijks rondkomen.  Steeds meer Amerikanen leven in extreme armoede, bijna 50 miljoen. 1,2 miljoen kinderen zijn dakloos. Gemiddeld 1 op de 5 kinderen leeft er van voedselbonnen, maar er zijn staten waar dat veel en veel hoger is. En wat is daarbij erger, de armoede of de constante vernedering!

Dat arme mensen – of mensen die bang zijn dat te worden – nu gaan stemmen op iemand die wij niet ‘normaal vinden,’ hoe vreemd is dat? Ten eerste weten we dat mensen die arm zijn door alle stress en problemen veel slechter gaan nadenken, en moeilijker rationele keuzes maken. Hun IQ daalt tot wel 14 punten door de armoede.

Maar ze hoeven niet dom te zijn. Nee, er viel voor hen gewoon niets te kiezen,  er was namelijk maar één presidentskandidaat die hen banen beloofde. Want echte banen betekent meer dan geld, het betekent respect, er bij horen. Vrijheid en veiligheid. Tijd om je kinderen te zien.

Wat de Amerikaanse kiezers hebben gezegd is ‘we vinden banen belangrijker dan al het andere.’ Banen dus. En als je daarvoor in een land met een knettergekke president achter een muur moet wonen, dan moet dat maar. Dat is ook een boodschap aan Europese politici. Ik hoop dat ze het zien voordat het te laat is, want zo moeilijk is het allemaal niet.

 

 

 

 

Project X Haren 2016 toont de herindeling van de macht

Dit blog schreef ik als column voor de Ons Haren van woensdag 28 september.

Goos de Boer van RTV Noord interviewt jongens die Project X Haren 201 zoeken. Foto: Marco in 't Veldt

Goos de Boer van RTV Noord interviewt jongens die Project X Haren 2016 zoeken. Foto: Marco in ‘t Veldt

 

Als er iets is wat we van het Project X Haren event van afgelopen week geleerd hebben, is waar tegenwoordig de macht ligt. De burgemeester van Haren en politie moesten op hun knieën om Facebook te vragen of het een event wilde verwijderen. Vier jaar geleden werden de rellen in Haren wereldnieuws, en er was dus alle reden om dit nieuwe event van internet te halen. Toch weigerde Facebook, en het event bleef gewoon staan. Botte macht, verscholen achter volkomen anonimiteit en onvindbaarheid. ‘Wie moet je bellen? vraagt de burgemeester van Haren zich af. Waar of bij wie moet je in hoger beroep? Op welk recht moet je een beroep doen? Conclusie: de Nederlandse democratie staat volkomen buiten spel.

Facebook, Google, Twitter, Whattsapp, Youtube, Airbnb, Apple en Uber, maken wel voor u uit wat goed voor u is. Internet is bij uitstek het jachtgebied van zulke monopolisten. Daardoor stijgen hun winsten tot gigantische hoogte. Belasting ontduiken ze, en met al hun geld kopen ze politieke macht. De bedrijven zijn al machtiger dan veel landen, en trekken zich weinig aan van wetgeving.

Amsterdam als kolonie

Airbnb bijvoorbeeld, is Amsterdam aan het koloniseren. Huis na huis wordt omgezet in een permanent toeristenverblijf en voor gewone Amsterdammers blijft er haast geen huis meer over. De stad wordt steeds meer een soort museum, waarin voor gewone winkels en Nederlanders geen plaats meer is. Amsterdam probeerde daarom met Airbnb afspraken te maken, maar Airbnb trekt zich er gewoon niets van aan. De stad staat machteloos. Airbnb bepaalt het Amsterdamse woningbeleid.

We worden gekoloniseerd. Net zoals Engeland en Frankrijk ooit samen Afrika verdeelden en leeg roofden, halen machtige internetbedrijven uit Californië ons leeg. Nu gebeurt het nog digitaal, op afstand, maar wel met dezelfde effecten. Wij moeten als inboorlingen machteloos toezien hoe de macht en het geld uit ons land verdwijnen.

Algoritme bepaalt wat u leest

In Nederland wordt ondertussen veel gepraat over democratie. ‘De burger moet meer bij de politiek worden betrokken.’  Mensen zijn soms erg kwaad over het gebrek aan inspraak, boos op politici in het algemeen. Maar waarover mag die burger dan straks nog meepraten? En hoe wordt die burger geïnformeerd? Veel mensen halen hun nieuws tegenwoordig alleen nog maar van sociale media. Met andere woorden: de algoritmen van Google en Facebook bepalen de publieke opinie. Maar wat zijn die algoritmen en wie bepaalt ze? Dat is topgeheim, geen enkele overheid krijgt toegang.

De macht in de wereld is snel aan het verschuiven naar machtscentra die zich volledig aan democratische controle onttrekken, en we staan nog maar aan het begin. Facebook bijvoorbeeld, is een wereldwijde dictatuur onder aanleiding van miljardairs die zich verschansen in zwaar bewaakte ommuurde villa’s in Californië. Sommige kennen we van naam, de meesten niet. Vanuit Californië werken ze er hard aan om bestaande rechtssystemen en overheden te slopen. Het zijn zogenaamde ‘libertariërs,’ mensen die vinden dat overheden alleen maar profiteurs zijn die de vooruitgang in de weg staan. Die vooruitgang zijn zij zelf.

Facebook en Google hebben inmiddels 85% van de Nederlandse online-advertentiemarkt in handen, en daarmee sterft onze vrije journalistiek uit. Zelfs de Telegraaf –de krant van wakker Nederland – dreigt in te slapen. Na vele magere jaren moet er nu alweer 25% worden bezuinigd. Verenigen zich een paar Nederlandse boeren zich, dan grijpen onze mededingingsautoriteiten in. Bouwen internetgiganten monopolies op en betalen ze geen cent belasting? Dan kraait er geen haan na en hebben zelfs nationale overheden het nakijken.

Uw privacy en mening zijn koopwaar

Je kunt je druk maken over de gemeentelijke herindelingen, en referenda, maar doet het er nog toe? De toekomt wordt gemaakt in Californië.  Wat u leest, denkt of koopt wordt bepaald door geheime algoritmen uit Californië. Uw diepste geheimen zijn koopwaar voor iedereen die het wil, zonder dat u het weet of er invloed op hebt. Als niemand iets doet om de internetgiganten te democratiseren, ligt daar straks alle macht. En wij hebben er helemaal niets over in te brengen. Houdt daar maar eens een referendum over.

bedanktje-harry-van-assen

Bedankje van Harry van Assen die Project X Haren ‘organiseerde.’

Limonadefabriek A. Meijer aan het Achterom 2 in Weesp. Een treurige geschiedenis.

Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

20151004_155343

Schip in een glazen fles, met Fabriek A. Meijer en zeilschip Dina, naar de roepnaam van mijn oma. Gemaakt door dhr. Scholten uit Bussum.

Voorwoord

Hier beschrijf ik de geschiedenis van de limonadefabriek A. Meijer aan het Achterom 2 in Weesp. Het is tevens een biografie van mijn opa, zover ik die heb kunnen reconstrueren. Ik heb mijn opa Aldert Meijer (1894- 1960) nooit gekend. Ik moet het doen met enkele losse verhalen van mijn moeder en verder wat ik online en in archieven vind. Ik waarschuw u vast: Het is een lang verhaal, want ik wil het goed gedocumenteerd doen. En het is geen vrolijke geschiedenis.

Het staat er echt: A. Meijer. Op een oude fabrieksmuur midden in Weesp prijkt de naam van mijn opa:

P1210799

In de oude archiefdoos vind ik zijn visitekaartje van destijds:

Visistekaartje A. Meijer, Achterom 2 Weesp

Visitekaartje A. Meijer, Achterom 2 Weesp

Op een mooie lentedag in 2016 ben ik mijn verloofde naar Weesp gefietst. We hebben namelijk een nachtje in een hotel geboekt en maken van de gelegenheid gebruik om een plek te bezoeken die ik nog nooit heb gezien, maar die in zekere zin toch een grote rol in mijn leven heeft gespeeld.

“Die fabriek van je vader, die stond toch in Naarden?’ vroeg ik mijn moeder kort daarvoor nog, in één van de laatste telefoongesprekken die we voerden vlak voor haar dood. Ik was bezig met onze familiegeschiedenis, die van de familie Meijer. “Nee, die fabriek stond in Weesp, aan het Achterom. Of staat, want je vader heeft er nog eens foto’s van gemaakt. De naam van mijn vader stond er zelfs nog op, ” antwoordde moeder.

Dat moest ik zien!

Limonadefabriek A. Meijer aan het Achterom in Weesp

Limonadefabriek A. Meijer aan het Achterom in Weesp

Het Achterom is een zijtak van de Vecht, in het oudste centrum van Weesp. Als wij er zijn, is het prachtig zonnig weer, en de gracht is omzoomd door bakken vol paars-wit bloeiende petunia’s. Het is een mooi plekje, heel anders dan ik me had voorgesteld. Maar ja, in de crisisjaren ’30 zag er hier vast heel anders uit, kaler, een industriële omgeving.

BINNEVEER_KIJK_OP_ACHTEROM_EN_SLIJKSTRAAT_1947 of 1940

Binneveer Weesp, met linksachter de fabriek aan het Achterom, rond 1940

Die rotfabriek

Wat moet  ik er van zeggen? Van die fabriek daar in Weesp? In de woorden van mijn moeder, zoals ik ze vaak kort en bondig hoorde: ‘Die rotfabriek.’

Nadere tijdsbepaling: ‘Die rotoorlog.’

Inmiddels is de voormalige fabriek een Rijksmonument:

Rijksmonument nr 38484. Op de kopzijde van het pand 2 gevelstenen, met afbeelding van “De Mijnwerker” en “De IJsbereider.”

Dat het gebouw een monument is, schijnt trouwens niet te betekenen dat je er niets aan mag vernielen. Sinds de foto’s van mijn vader is er een raam in de buitenmuur gehakt, precies in het opschrift. Op oude foto’s zie ik dat er lang een soort plaat aan de gevel heeft gezeten, precies waar nu nog de opschriften zichtbaar zijn. Zo zijn ze bewaard gebleven, tot een restauratie ze weer zichtbaar maakte.

P1210797 - kopie

Online vind ik dat het opschrift voor verzamelaars een bepaalde waarde heeft. Op Pinterestsites van verzamelaars van industriële opschriften circuleert het opschrift van mijn opa. Er staan verschillende woorden min of meer door elkaar geschilderd, uit verschillende episodes: Mouterij. A. Meijer. Zuid-Hollandsche Brouwerij. Likeuren.

De fabriek voor de restauratie/verbouwing. Jaartal mij onbekend

De fabriek voor de restauratie/verbouwing. Jaartal mij onbekend

Een pijnlijke voetnoot

20150611_145934

Wie A. Meijer was? Niemand in Weesp schijnt het te weten of te interesseren. Een bekende onbekende. Tijd om iets van zijn geschiedenis te beschrijven, een biografie van de opa die ik nooit gekend heb. Een voetnoot in de geschiedenis. Een pijnlijke voetnoot.

Voor de duidelijkheid: van mijn opa wist ik zo goed als niets, tot ik dit onderzoek begon. Hij stierf al voordat ik geboren werd, en van mijn moeder hoorde ik er slechts weinig over, en altijd dezelfde dingen. Pas toen ik gericht ging vragen, kwam er iets meer, maar veel wist mijn moeder er ook niet (meer) van. Ze was dol op haar vader, die volgens haar veel te goed van karakter was, iemand die daardoor ongeschikt voor de harde zakenwereld was. En iemand die ooit een stomme keuze had gemaakt, die haar en de rest van zijn gezin heel veel ellende had opgeleverd.

Ik schrijf deze geschiedenis aan de hand van enkele documenten en foto’s die ik geërfd heb in oud metalen kistje, een enkele herinnering van mijn moeder, en wat ik er online bij kan vinden. Het Nationaal Archief bleek één dun dossier aanvullende informatie te kunnen bieden. Langzamerhand zie ik er een verhaal uit ontstaan. Met veel vraagtekens, maar toch: een verhaal.

Voorgeschiedenis: 1894 – 1932

20160610_185748

Aldert met zijn eerste dochter, ca. 1926

Mijn opa Aldert Meijer werd geboren op 23 september 1894 in Bussum als zoon van een limonadefabrikant/kruidenier, die kort daarop overleed. Opa werd naar zijn vader en grootvader vernoemd, die beiden ook Aldert Meijer heetten. Hij werd geboren in een woonhuis aan de Veldweg, dat deel uitmaakte van de limonadefabriek Dijkhuis & Co, aan de Nassaulaan in Bussum, waarover ik in een vorige blog schreef. De ‘Co’ in de bedrijfsnaam Dijkhuis was mijn overgrootvader, die ook Aldert Meijer heette.

Overgrootmoeder Cornelia Groot uit Zaandam zette de kruidenierswinkel van haar man voort, nadat haar man en haar dochtertje overleden waren. Overgrootvader Aldert en opa’s zusje stierven in 1898, jong en kort na elkaar aan longontsteking. Cornelia bleef alleen over, met haar kleine zoontje Aldert, liefkozend ‘Allie’ genoemd. Ergens in de jaren ’20 pensioneerde Cornelia zichzelf en verkocht de winkel.

Mijn opa groeide op in die winkel aan de Nassaulaan. Als kind had hij er duiven, waarvan hij zei dat ‘die zijn leven redden.’ Wat dat precies betekende, wist mijn moeder niet, maar ik denk dat het er op neer kwam dat opa als kind eenzaam was, omdat moeder weinig tijd voor hem had, door de drukke winkel. Wel was moeder Cornelia dol op haar ‘Allie,’ en andersom. “Weet u wel dat er een kat in uw kelder zit te miauwen?’ vroeg een klant aan mijn overgrootmoeder. Het was echter geen kat, maar mijn opa die zijn eerste pogingen deed op de viool. Soms deed hij alsof hij naar vioolles ging, maar zette in werkelijkheid de vioolkist in het kippenhok en ging ergens met vriendjes spelen. Toch zou Aldert zich later tot een goed violist ontwikkelen.

Clinge Doorenbos

Kort voor haar dood vertelde mijn moeder me nog iets, dat ik wel bijzonder vind. Omdat opa een vaderloos kind was, bekommerde een plaatselijke dokter zich over hem. Dokter Clinge Doorenbos vestigde zich in 1886 als 26-jarige in Bussum, en overleed er in 1944. Opa schijnt er kind aan huis te zijn geweest, en later bij diens dochter Jenne. Dat het een goede band bleef, wordt me bevestigd door foto’s en een persoonlijk bedankje, van het diamanten huwelijksfeest dat de dokter enkele maanden voor zijn dood vierde. Mijn opa staat er pal achter de dokter op de foto.

Doorenbos had zelf twee opvallende en bekende kinderen. De oudste werd onder alleen zijn achternaam bekend als Clinge Doorenbos, schrijver en radiopersoonlijkheid, een BN’er. Dochter Jenne Clinge Doorenbos werd vooral bekend als geheime minnares van dichter Herman Gorter. Wie weet heeft mijn opa dus de bekende de dichter van ‘Mei’ nog wel eens ontmoet!

Violist en humorist

In mijn familie-archiefje vind ik een oude krant die voor een huwelijksfeest in de familie is gemaakt. Vol met de bekende schetsjes en grappen die bij zo’n huwelijksfeest horen. Voor mij opa is plaats ingeruimd in één van de advertenties. Aldert Meijer zoals zijn familie hem zag: ‘violist, humorist, novellist, theosofist, solist, bloemist.’

Opa violist enz.

Een deel van de omschrijving begrijp ik goed. Opa speelde al jong viool en werd een begaafd violist en solist die al jong in de Bussumsche Orkestvereniging en Toonkust speelde (waar ik later misschien nog eens over zal schrijven), onder andere tijdens de bekende Mattheüsuitvoeringen in de kerk van Naarden.

Opa had ook een grote interesse in leven na de dood, oude culturen enz. Hij werd lid van de Theosofie, en samen met mijn oma lid van een gemengde vrijmetselaarsloge in Bussum. Toen de beroemde Krishnamurthi in 1929 in Ommen was, met Annie Besanth van de theosofische vereniging, waren mijn grootouders er bij, zoals de nodige foto’s laten zien. Novellist: opa schreef de nodige verhalen, o.a. voor de Bussumsche Courant. En dat Aldert  ‘humorist’ was? Volgens mijn moeder hield opa wel van een grap of practical joke op zijn tijd. Maar bloemist? Daar heb ik nooit iets over gehoord. Misschien refereert het aan een anekdote die in de mist der tijd vergeten is.

Aldert groeit op in middenklassegezin waarin hard gewerkt wordt, maar dat het economisch betrekkelijk goed heeft. In het Bussum van toen, is er een sterke tegenstelling tussen de jongens met klompen en die met schoenen. Opa draagt schoenen. Moeder drijft haar kruidenierszaak en meerdere familieleden wonen in de Nassaulaan, waar de familie onder andere nog een banketbakkerij heeft. Daarnaast schijnt opa veel om te gaan met zijn neven Van der Bilt, de zoons van de zus van zijn moeder. Dat is een zeer muzikale familie.

Prinsengracht 1047a

Prinsengracht 1047a, tweede van links.

Op aandrang van de neven Van der Bilt verkocht overgrootmoeder Cornelia haar winkel en ging rentenieren in Amsterdam. Met haar zoon Aldert woonde ze aan de Prinsengracht 1047a. Ook dat pand is nu een monument. Het geld van de winkel stopte Cornelia in de firma van haar neven, de Firma Gebr. Van der Bilt. Contractueel werd een vaste rente afgesproken, die Cornelia ieder jaar genoeg geld op moest leveren voor een goed burgermansbestaan.

Sollicitatiebrief

En verder? Gelukkig vind ik een kladversie van een sollicitatiebrief tussen opa’s spullen. Daarin geeft hij een kort maar verhelderend overzicht over zijn werkende leven. Ik lees er in dat hij na de Mulo boekhouder is geworden in Amsterdam.

“Ik ben geboren 23 september 1894 (en ben doopsgezind.) Na een mulo opleiding kwam ik op kantoor bij de fa. Wed. Jan van Wezel Int. Expediteurs Cargadoors Binnenkant 18a.”

De Binnenkant, daar zat ook het kantoor van Zeilmakerij Zeilinga, de zeilmakerij van inmiddels verre familie, de familie van zijn oma Grietje Zeilinga. Neef Aldert Meijer (er werd veel vernoemd in de familie), die op Nassaulaan 3 woonde, ging in de zeevaart. Hielp de familie opa aan een baan, of solliciteerde opa op eigen kracht? Ik weet het niet.  “Later verzorgde ik de inklaringspapieren,” voegt opa er nog aan toe.

Daarna werkte Aldert voor de Nederlandsche Plantenoliefabriek in Amsterdam, waarna deze fabriek ‘overging naar Jan Jurgen in Bussum en werd gesloten.’ Opa werd toen aangesteld bij een firma waar ik de naam niet goed kan lezen, maar waar moet staan: NV Stoomvaart-Maatschappij Oostzee, aan de Gelderse Kade, vlakbij de Binnenkant waar hij eerst werkte. “Als zodanig behandelde ik geheel zelfstandig een groot deel van de boekhouding, reisverzekeringen, financiële uitkomsten van iedere reis, correspondentie hierover, etc. Ik kreeg toen een goede aanbieding als procuratiehouder resp. boekhouder correspondent bij een im- en exportkantoor fa. Gebr. Van der Bilt.

Daar komen we op bekend terrein, want nu zit opa bij zijn neven op kantoor. Die hebben in Amsterdam en Padang (in Nederlandsch-Indië) een kantoor. Het gaat echter niet goed met het bedrijf. Het loopt uit op een faillissement. “Deze zaak werd echter geliquideerd.” schrijft opa en Aldert kwam nu bij de Bussumsche Courant te Bussum.”

‘De heer Meyer heeft zich gedurende de tijd dat hij bij ons werkzaam is geweest, laten kennen als een ijverig, accuraat en plichtmatig employé.’ lees ik in het getuigschrift dat de firma Aldert op 20 september 1924 gaf.

Bussumsche Courant, Uitgeefster G.M. Märckelbach

Bussumsche Courant, Uitgeefster Wed. G.M. Märckelbach

De Bussumsche Courant is ook bekend terrein. De Bussumsche Courant werd uitgegeven door de Wed. Märckelbach, mijn overgrootmoeder. Aldert was inmiddels getrouwd met haar dochter Lamberdina Märckelbach, mijn oma (1894- 1973), ook wel aangesproken als Dina of Dien.

Het verhaal van de Bussumsche Courant en de familie Märckelbach zal in later in een blog proberen te reconstrueren. Aldert en Lamberdina zaten als kind al bij elkaar in de klas op de lagere school, en het schijnt dat mijn oma al vroeg een oogje op Aldert had.

Dat de firma Gebr. Van der Bilt failliet ging, had trouwens grote gevolgen voor de familie. “Mijn vader begon met helemaal niets,” vertelde mijn moeder me verschillende keren. Het lot van haar vader vervulde haar altijd met verdriet en bitterheid. “Zijn neven hebben zijn hele erfenis er door gejaagd.”

Hoe dat precies gegaan is, is moeilijk meer vast te stellen. Vast staat is dat ik enkele brieven heb van neef Pieter van der Bilt, waarin hij er bij zijn tante op aandringt om haar winkel te verkopen, en het geld te beleggen. Ook heb ik een contract, waarin afgesproken wordt dat ze jaarlijks een rente van minstens 7% zal krijgen, genoeg om van te rentenieren. Het moet buitengewoon pijnlijk zijn geweest toen de firma failliet ging en tante dus al haar geld en daarmee haar inkomen kwijt was. Wat ik er van begrijp, is dat Piet de lening daarna als ‘persoonlijke lening’ heeft opgevat en geld aan zijn tante is blijven betalen. Toen ze echter op 22 september 1931 doodging, beschouwde Piet de lening daarmee als vervallen. Zijn neef Aldert had het nakijken. Al het geld dat zijn moeder in de firma Van der Bilt had gestopt, zou zijn erfenis zijn geweest. Opa erfde nu dus niets meer. Op internet vind ik dat Piet later directeur van NV Hollandsche Toeback Co. was, en directeur van een NV Amsterdamse Metaal- en Profielfabriek werd. Hij moet goed verdiend hebben, maar mijn opa heeft daar geen cent van gezien.

Als boekhouder moet Aldert toch redelijk hebben verdiend, want het jonge gezin huurde een behoorlijk riant huis aan de Brediusweg in Bussum. Daar werden er twee kinderen geboren, Carla en mijn moeder Lydie Meijer. Als zijn moeder Cornelia in 1931 overlijdt, besluiten ze te verhuizen naar de Brinklaan 14, het huis dat Aldert destijds voor zijn moeder had gekocht. Het is kleiner, maar je betaalt geen huur, en inmiddels treft de economische crisis Nederland hard.

De fabriek in Weesp: 1932 – 1945

Th. Lukkes Brandstoffenhandelaar te Weesp

Telegraaf 14 09 1959 overlijden Theodoor Lukkes

In 1932 maakte Aldert Meijer een belangrijke stap, zoals hij schrijft: hij begon voor zichzelf. Hij kocht een limonadefabriek. Hoe is dat gegaan, en waar betaalt hij het van? Rond die tijd overlijd zijn schoonmoeder. Mijn oma moet haar deel van de erfenis hebben gekregen en die wordt gebruikt om een fabriek te kopen. Opvallend genoeg ontbreken alle papieren met betrekking tot de koop en verkoop van de fabriek. Misschien hebben die in een apart dossier gezeten, dat inmiddels is verdwenen.

In opa’s sollicitatiebrief lees ik: ‘In 1932 begon ik mijn eigen zaak, een limonadefabriek, waaraan ik agentschappen kon verbinden van bier, Hero frisdranken, Coca Cola, Onos wijnen etc. Ik maakte verschillende klanten, caféhouders, winkeliers, hield toezicht op de boekhouding van de fabriek en ging op reis.’

Opa kocht een bestaande fabriek aan het Achterom in Weesp. Deze was toen eigendom van een Theodoor Lukkes. Over deze man is weinig te vinden, maar hij wordt in Weesp wel opgevoerd als bouwer en eigenaar van het fabriekscomplex aan het Achterom. In Weesp staat hij bekend als de bouwer vanBrandstoffenhandel v/h Lukkes NV en
vm Electrische Weesper IJsfabriek “De Leeuw.

Over deze Lukkes zijn online enige krantenberichten te vinden, die te maken hebben met zijn faillissement(en). Dit bericht is zat nog in het archiefje van mijn opa, en is online niet te vinden:

Theodoor Lukkes werd omstreeks 1895 geboren […] in 1922 onder de firma Lukkes & Nordemann, ten doel hebbende de exploitatie van een limonadefabriek en bierbottelarij, waaraan  later werd toegevoegd een handel in brandstoffen. De firma welke was gevestigd aan de Achteromstraat 4 te Weesp werd in 1927 ontbonden, de heer Lukkes zette de zaak alleen voort, totdat in 1930 dezelve werd omgezet in een vennootschap onder firma, waarvan de betrokkene medelid was.  

De heer Lukkes die de laatste jaren voor eigen rekening als handelaar in brandstoffen gevestigd was, is in moeilijkheden geraakt, en vroeg surséance van betaling aan, welke d.d.  29 november 1937 werd verleend. De rechtbank achtte geen termen aanwezig de surseance definitief te verlenen, want bij vonnis van 22 december 1937 werd de heer Lukkes aan het adres Stationsweg 25 te Weesp in staat van faillissement verklaard met benoeming van  Mr. E. A. Asscher, Keizergracht 723 te Amsterdam tot curator (Sts. -ert. no 250 ’37). Het totaal passief bedraagt f40.39582, waarvan preferent f16.820.83. De baten zijn nog niet volledig bekend.

Mijn opa wordt nergens in genoemd. Toch moet Aldert al snel een deel van het complex in gebruik hebben gehad. Als datum van de officiële opening van het complex wordt 28 april 1933 genoemd.

De Telegraaf 29 - 04 - 1933

De Telegraaf 29 – 04 – 1933

Aannemelijk is dat het al eerder, dus in 1932 in gebruik was, en dat mijn opa een deel huurde van Lukkes. De sollicitatiebrief waar ik uit citeerde, is geschreven op briefpapier ‘A. Meijer. Weesp. Mineraalwater- en Limonadefabriek ,,De Leeuw.” Telefoonnummer 251  dat dateert uit de jaren 1940.

Naamlijst voor den interlocalen telefoondienst 1936 Lukkes en Meyer

In de ‘Naamlijst voor den interlocalen telefoondienst’ uit 1936 komt Lukkes vier keer voor. Achter de eerste vermelding vind ik ook de vermelding van mijn opa, A. Meyer. Vreemd genoeg staat Lukkes-Nordeman Li. Fabr. Steenk. er ook in, alsof er twee limonadefabrieken in hetzelfde pand zouden zitten, en de tweede limonadefabriek tevens steenkool verkoopt. Dat is niet waarschijnlijk, de firma was in 1927 ontbonden.

Mijn moeder kon me weinig aanvullende informatie verschaffen. Het enige wat ze zich wist te herinneren was dat ze Lukkes een ‘platvloerse man’ vond die de hele tijd schuine grappen zat te maken. En – ook niet onbelangrijk – hij verkocht opa de fabriek met vervalste cijfers. De omzet lag veel lager dan opa werd verteld. Het is niet de enige keer dat opa geen gewiekst zakenman blijkt.

Het was allemaal redelijk goed begonnen. Ik vind een kort bericht uit de Telegraaf over de opening van de fabriek van Lukkes:

 

De Telegraaf 29 04 1933 opening De Leeuw

Weesp, 29 april. Gistermiddag heeft de officieele opening der ijsfabriek De Leeuw te Weesp plaatsgehad, in tegenwoordigheid van tal van genodigden, waaronder burgemeester Dotinga, die de motoren in werking stelde. De burgemeester die daarbij het woord voerde noemde het een staaltje van flinken durf, om in deze tijdsomstandigheden een nieuw bedrijf op te richten.

Veel ouder

Het Achterom in Weesp in 1923

Het Achterom in Weesp in 1923

Het gebouw waarin de fabriek begon was al veel ouder. Er zat een brouwerij De Leeuw in, lees ik in een advertentie uit 1893.

AH 08 06 1893 Bierbrouwerij De Leeuw

Advertentie uit 1893 waarin brouwerij De Leeuw wordt verkocht

In 1920 wordt er een mouters, kuipers en droogersbedrijf opgeheven.GE 31 03 1920 De Leeuw opgeheven kuipersfabriek

 

Twee jaar later – staat het pand dan officieel leeg? – ontdekt de politie een geheime branderij in het pand, gedreven door Amsterdammers, met hulp van mensen uit Haarlem en Weesp.

GE 21 09 1932 Lukkes koopt pand

 

In 1932 koopt Lukkes het pand dus, maar zowel het pand als de naam ‘De Leeuw’ waren al oud, kennelijk uit de 17e eeuw. “Als bijzonderheid kan nog vermeld worden, dat het pand thans voor de eerste maal eigendom is geworden van iemand die geen nakomeling is van de oprichtersfamilie,’ meldt de Gooi en Eemlander.

In 1929 was de crisis van de jaren ’30 begonnen, en economisch ging het belabberd toen Lukkes en opa in 1932 begonnen.  Dat Lukkes en mijn opa een nieuwe fabriek openden, was inderdaad van ‘flinken durf,’ en het ging fout. Lukkes ging failliet. Een krantenbericht in de Gooi en Eemlander van 26 februari 1938 meldt de veiling van De Leeuw.

Ingericht tot IJsfabriek met bovenwoning, kantoor, plaatijzeren garage, pakhuisje, bergplaats en grond aan het Achterom te Weesp, groot 5,38 ha.. Te veilen in 4 percelen en combinatiën, ook met na te noemen machinerieën.

Dezelfde krant meldt op 13 maart 1938 ook de afloop. Notaris H. ten Oever heeft in ‘De Roskam’  de fabriek geveild. Met als volgend resultaat:

Perceel I (kantoor met kolenbergplaats) f1450, Perceel II, de IJsfabriek f1001, Perceel III de limonadefabriek met bovenwoning, pakhuisje en garage f2500,  Perceel IV, bergplaats f120. In combinatie brachten perceel I en II op f2451, perceel I, II en III f4951,  perceel I tot en met IV: f 6271.

De machinerieën der ijsfabriek brachten totaal f4318 op.

In het totaal bracht de fabriek zo’n 10.000 gulden op. Mijn opa huurde perceel III, de limonadefabriek met bovenwoning en garage. Dat ging nu over in andere handen, maar ik weet niet wie nu de eigenaar werd. Na dit faillisement zet Lukkes zijn kolenhandel wel voort op Achteromstraat 13, later onder de naam N.V. Brandstoffenhandel.

Foto’s van opa

20150823_172721

A. Meijer op zijn paard Vosje, bij zijn fabriek aan het Achterom in Weesp, met op de achtergrond zijn Ford in de plaatstalen garage. Ca. 1940

20150823_172528 20150823_172553

Er zijn slechts een paar foto’s van A. Meijer bij zijn fabriek. Opa met zijn knecht, de dame van kantoor en het paard. Op de achtergrond is een auto te zien in een garage van golfplaat. Dat moet de ‘plaatstalen garage’ uit de krantenberichten zijn. Tegenwoordig is die er niet meer, maar op oude foto’s zie ik op die plek een stenen schuurtje, dat nu ook gesloopt is, en alleen een verkleuring aan de achterkant van het fabrieksgebouw laat zien waar hij gestaan heeft, aan de achterkant van de fabriek.

Achterom Weesp

Achterom Weesp, jaren ’60 of ’70, met stenen schuurtje.

Dagelijkse routine.

Opa schijnt de dagelijkse tocht van zijn huis aan de Brinklaan 14 in Bussum naar de fabriek aanvankelijk te hebben gemaakt met een motor. In ons archiefje vind ik een kentekenbewijs van 28 april 1938 voor de aanschaf van een auto, een Ford uit 1938. Ongetwijfeld de auto op de foto. Die werd in de oorlog gevorderd door de Duitsers, evenals het paard. Als zowel de Ford als het paard door de Duitsers gevorderd zijn, heeft opa een tweede paard. Dat laat hij onderduiken bij de overburen in Bussum, bij ‘Maurits.’ De aanschaf van de Ford is wel een bewijs dat het in 1938 de goede kant op gaat met de fabriek. Over het eerste paard schijnt destijds gegrapt te zijn dat de Duitsers er weinig aan gehad zullen hebben, want het bleef uit zichzelf voor iedere kroeg staan, gewend als het was aan de dagelijkse routine van de bezorging.

Over hoe het er aan toe ging in de fabriek kan ik weinig vinden. Mijn moeder had er slechts enkele herinneringen aan, en zonder uitzondering slecht. Ze ging er vader helpen met het uitzoeken van de teruggekomen kroonkurken enz.:  “Weesp stond toen bekend als het Oss van het Noorden. Alles wat los en vast zat werd er gestolen. Zelf de vergulde vulpen van opa’s bureau in zijn kantoor, toen hij even de kamer uit was gelopen. En telkens een vat jenever. Toen hebben ze dat eens vervangen voor een vat met water. Toen werd dat werd ook gestolen.”

Ook opa’s poging om zijn knechts te helpen bij hun ‘zelfverheffing’ mislukte. Nadat hij een jaar lang hun avondopleiding had betaald, kwam hij er achter dat ze na de eerste les nooit meer waren geweest.

Of deze verhalen recht doen aan de werkelijkheid? Het was de beleving van mijn moeder, maar wie weet had opa wel lol in zijn werk. In ieder geval schrijft hij later dat hij tot de oorlog een goedlopende zaak had.  Maar ja, de oorlog.

De oorlog 

Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers Nederland binnen. Hoe dat in Bussum en in het bijzonder bij mijn familie gegaan is, weet ik niet. Er is niets over overgeleverd. In ieder geval was in ieder geval één probleem. Aldert Meijer was ooit lid geworden van de NSB. Ik geef eerst de versie zoals ik die uit flarden van mijn moeder kon reconstrueren.

“Hij werd niet lid omdat hij iets had tegen joden, nee, hij was tegen het bolsjewisme,” volgens mijn moeder. Hij zou nooit iets te hebben gedaan met het lidmaatschap, maar had het ook niet opgezegd uit laksheid. Nu werd het lidmaatschap problematisch. Dochter Carla gooide het blad van de NSB uit protest altijd meteen weg over de schutting, zodra het bezorgd was, zodat opa het nooit te zien kreeg. Oma drong er op aan dat hij zijn lidmaatschap nu meteen opzei, maar ja? Hoe zouden de Duitsers er op reageren? Toen Aldert zijn lidmaatschap opzei, schijnt dat meteen tot problemen te hebben geleid. Hoe en wat, weet ik niet precies, maar hij werd geloof ik gedwongen te werk gesteld.

377_720x480

Links Brinklaan 14 Bussum

Ondertussen was er nog een ander probleem. Het kleine huis aan de Brinklaan vulde zich langzaam en werd eigenlijk te klein. Er waren onderduikers en evacués. Er werden goederen opgeslagen van joodse vrienden die moesten onderduiken. “Wij hadden de grammofoon, maar de platen hadden ze bij andere vrienden opgeslagen, zodat niemand ze kon gebruiken,” vertelde mijn moeder. Ook was er een anekdote over een kussen. Eén van de onderduikfamilies kwam regelmatig kijken hoe het met het kussen was gesteld. Waarom? Toen de eigenaren de spullen na de oorlog opgehaalden bleek dat in het kussen de familiejuwelen zaten.

Moeder en haar zus sliepen in hun kantelbed op het slaapkamertje, terwijl aan hun voeten een onderduiker en later evacués lagen te slapen. Hoe het allemaal ging? Ik weet het niet. Later moest opa zelf onderduiken in de vesting Naarden, ik neem aan voor de arbeitseinsatz. Duitse soldaten doorzochten het huis tevergeefs, terwijl ze met hun bajonetten overal in staken. Een angstige ervaring die mijn moeder nog altijd met trillende stem navertelde. Hans, de verloofde van Carla, werd na speruur opgepakt terwijl hij illegale kranten verspreidde. Hij belandde in concentratiekamp Neuengamme en overleefde de oorlog ternauwernood.

In de oorlog was Aldert opeens populair. Als eigenaar van een limonadefabriek had hij nog suiker. Iedereen hoopte dat hij wat voor ze meenam. En dat deed hij, voor die een fles limonade, voor die een pak suiker. In ons archiefje vind ik bedankbriefjes van mensen die blij zijn met suiker, boter en zelfs kaas. Eén daarvan komt regelmatig terug: het echtpaar Van Haaften -Maarsen, Cliostraat 46 Amsterdam. Na enig zoeken ontdek ik dat dat Wim van Haaften dan onderdirecteur en verkoopleider van de Heinekenbrouwerij is. Een hartelijk zakencontact.

Hoe zat het met dat lidmaatschap van de NSB? Als ik mijn moeder moet geloven heeft mijn opa er nooit iets mee gedaan, maar het pas laat opgezegd, op aandringen van zijn vrouw. Laksheid en bang voor de gevolgen. Maar ja, mijn moeder was dol op haar vader. Zou ze hem niet te veel willen vergoelijken? Als historicus weet ik ver dat Aldert in een ‘risicogroep’ zat. De door de crisis zwaar getroffen middenstand. Hij was niet kerkelijk, en zat bij de Vrijmetselaars, waar zowel veel joden als NSB’ers lid van waren. In Bussum waren bovendien relatief veel mensen lid van de NSB. Aan de andere kant: de NSB hield in Bussum bijeenkomsten van een soort waar je als nette burger niet bij zou willen horen. In 1935 was er bijvoorbeeld een flinke knokpartij met gewapende communisten.

De vervolging en het beheer: 1945- 1948

Na de oorlog

aankomst der Canadezen in Bussum

Aankomst der Canadezen in Bussum

Ook over hoe het na de oorlog ging, weet ik niet heel veel. De bevrijding schijnt vrij ongemerkt aan het gezin Meijer te zijn voorbij gegaan. Wel ontvangt hij enige blije brieven. Die van mevrouw Van Haaften bevat enkele passages met dank voor Alderts steun, ook omdat hun zoon die in het verzet zat, moest onderduiken. Onderstaande passage maakt duidelijk dat de fabriek in Weesp er toen nog relatief goed voorstond:

Nu, U hebt er ook heel wat van meegemaakt! Hoe jammer dat U vanuit de Euterpe-straat niet even bij mij aanliep, het is vlak en vlak bij, weet U dat Niet vergeten voor een volgend maal als U in de buurt bent! Heerlijk dat U Uwe kostbare machine’s en benoodigdheden wist te behouden, ik vind het knap werk, hoor! Dat is voor de opbouw van ons land juist zoo verschrikkelijk dat de moffen alles hebben meegenomen of verruïneerd! […] 

Nu, beste Heer Meijer, veel succes met Uwe arbeid , ik vind het heerlijk voor U dat Uw zaak weer draait en U op zoo’nn goede wijze start in dit moeilijke tijdvak dat we tegemoet gaan!! Mevrouw Van Haaften Maasdijk.

Het lijkt allemaal mee te vallen, maar opeens wordt Aldert opgepakt. Wat is er gebeurd? Eerst de versie van mijn moeder. Wat ik er van haar van weet, is dat haar vader eerst werd ondergebracht in een school, toen in de Vesting Naarden, in de kazerne waar nu de winkel van Jan de Bouvrie zit. Vervolgens werd hij opgesloten in kamp Crailoo in Laren. De fabriek werd ondertussen beheerd door de Heinekenbrouwerij die er een jonge man opzette als beheerder. Die verpatste alle machines, tot het zelfs de bierbrouwerij te veel werd. Die zette er toen wat oude machines neer, en zo kreeg Aldert zijn fabriek terug. Voor mijn moeder was er de angst van ontdekking. Op school durfde ze niet uit het raam te kijken, als de kampmensen naar hun dwangarbeid moesten langsmarcheren.

Eén keer  zag ze haar vader helemaal kaalgeschoren, terwijl hij op een platte kar voorbij reed. Hij keek weg, uit schaamte en angst dat zijn dochter hem zo zou zien. Een traumatische ervaring voor mijn moeder.

En niemand mocht er achter komen dat zij de dochter van de NSB’er was. Die angst voor ontdekking heeft ze haar hele leven gehouden. En niet onterecht, want toen ze in de jaren ’90 – ze was al een oudere vrouw – eens in haar breiclubje vertelde over haar vader – was ze er daarna niet meer welkom.

Mijn moeder wilde tot aan haar dood nog altijd nog weten wie haar vader ‘verraden’ had. “Hij was van het type dat veel te goed is voor deze wereld. Hij had alleen maar vrienden. Hij bracht altijd voor iedereen wat mee, en liet zich altijd van alles aanleunen. Mijn moeder verkocht zelfs haar sieraden in het geheim, en hield het geld achter. Ze zei tegen mijn vader ‘jij geeft het toch maar weer weg, je denkt altijd aan een ander maar nooit aan je zelf.’ Hij had geen vijanden. Wie heeft hem aangegeven en waarom?”

Op zoek

Lang heb ik gedacht dat iedereen die ooit lid van de NSB was geweest, standaard werd opgepakt na de oorlog. Maar dan vind ik in ons familie-archiefje een document dat me op een ander spoor zet. Het roept tegelijkertijd ook veel vragen op. Het gaat om een verslag over van 2 kantjes A4, over de inbeslagname van de limonadefabriek in Weesp. Dat gebeurde volgens het verslag op 8 augustus 1945. De handtekening van degene die het verslag opstelde is moeilijk te lezen, maar lijkt A.C. de Rooij, die ik vind op de landelijke personeelslijst van het Beheersinstituut.

Het document biedt in al zijn beknoptheid en eenvoud voor mij een rijkdom aan gegevens.

Den achtsten augustus bezocht ik in de tegenwoordigheid van den Heer Dyk de Limonadefabriek A. Meyer – Achterom te Weesp N.H.  A Meyer is gearresteerd en eigenaar van deze fabriek. Hij woont prive te Bussum Brinklaan 14. In den oorlog moet hij plotseling in staat zijn geweest een schuld van 15 mille af te lossen.

Mijn oorspronkelijke aanname lijkt dus fout. Er lijkt op een of andere manier dus wel degelijk aangifte gedaan tegen opa. Hij zou plotseling een schuld van vijftienduizend gulden hebben kunnen aflossen. Een voor die tijd gigantisch bedrag dat de waarde van zijn fabriek lijkt te hebben overtroffen. Het document vermeldt helaas niet, bij wie en waarvoor hij die schuld zou hebben gehad, en wie Aldert heeft aangegeven.

Het verslag vervolgt:

Op zijn kantoor was een meisje werkzaam genaamd Lena Kraamwinkel wonende te Weesp aan de Nieuwstraat 29.  Zijn boekhouder is P. Star Brederodelaan tegenover nr. 10 te Bussum. De heer T. Bruinekool Hoogstraat 55 te Weesp kwam dezer dagen aan de Parklaan en vroeg bovengemelde zaak te kunnen overnemen. Hy werd geintroduceerd  door den heer  N.R. Van Zalinge Brediusweg 47 te Bussum. Bij ons bezoek aan Weesp kwamen wy in contact met den heer E.H. van Duikeren Groote Plein 1 te Weesp de .a.s. schoonvader van den heer Bruinekool. De heer Bruinekool is ongeveer 25 jaar en zeide wel verstand te hebben (van) het bedrijf  waarnaar hy reflecteert. Deze bewering is geheel voor rekening van den Heer Bruinekool.

De heren waren er snel bij, nog op de dag van beslaglegging stonden ze klaar om de boel over te nemen. Heer Bruinekool moet de jongen zijn waar mijn moeder het over had, maar lijkt niet de zoon van de eigenaar van het fabriekspand. Hij woont wel aan de Hoogstraat, dus om de hoek bij de fabriek.

Hoogstraat 33/56 in Weesp

Hoogstraat 33/56 in Weesp

De scepsis van de verbalisant jegens Bruinekool in het verslag is overduidelijk, en naar later zal blijken terecht.

Bruinekool woont op Hoogstraag 55, zijn schoonvader E.H. van Duikeren vind ik in een oud telefoonboek uit 1936 nog op een ander adres dan in het bovenstaande stuk: Hoogstraat 56.  Van Duikeren is in 1940 verhuist naar een riant herenhuis, maar is in 1936 nog de buurman van Bruinekool. Tijdens de inbeslagname woont daar dan een ander familielid, P. van Duikeren, via welke Bruinekool dan telefonisch bereikbaar is.

Over Bruinekool vind ik verder niets, behalve een overlijdensadvertentie van zijn weduwe Johanna Elisabeth Bruinekool – van Duikeren uit 2014 Daaruit blijkt me dat het gaat om Tijmen Bruinekool, die al 21 maart 1967 is overleden. Tijmen was dus verliefd geworden op het buurmeisje, en moest aan het werk worden geholpen. Schoonpapa Van Duikeren kwam uit een familie waarvan alle leden in een Tabaksmaatschappij in Weesp zaten, de NV. Tabaksmaatschappij Herms. Oldenkott & Zoonen in Weesp.

N. R. van Zalinge is garagehouder Nico(laas) Reinder van Zalinge. Op zijn trouwakte wordt hij aangeduid als ‘rijtuigfabrikant.’ Hij verkoopt auto’s aan de Eschlaan/Eslaan 14, waar tegenwoordig ook nog steeds een garage zit. Automobielbedrijf Van Zalinge begint met Renaults, maar stapt al snel over op Amerikaanse Automobielen. Als ik het goed zie, is het bedrijf rond 1948 in andere handen overgegaan. Daarna vind ik een N.R. van Zalinge als directeur van een zwembad, het Zwemstadion Naarden.

Eslaan 14 (ooit Van Zalinge Automobielbedrijf NV)

Eslaan 14, op google streetview, nog steeds een garage.

N.R. van Zalinge garagehandelaar, die Bruinekool aanbracht G 15 05 1926

Uit de overlijdensadvertentie van Van Zalinge, blijkt meteen hoe het kwam dat hij er bij werd gehaald. Ook hij is (aangetrouwde) familie van Van Duikeren.

elegraaf 03 06 1978 overlijden N.R. van Zalinge

Telegraaf 03-06-1978 overlijden N.R. van Zalinge

De vader van Nicolaas was ooit directeur van de Koninklijke Pakketmaatschappij en werd geridderd. Nicolaas’ broer H.C. van Zalinge (Hendrikus Cornelis) was een rijke rubberhandelaar, en eigenaar van een kapitale villa aan de Gooilandscheweg. Bij het overlijden wordt die villa verkocht door familielid makelaar F.L van Duikeren.

Verkoop van Villa Catalpa van H.C. van Zalinge door F. L. van Duikeren, 1978.

Verkoop van Villa Catalpa van H.C. van Zalinge door F. L. van Duikeren, 1978.

Bruinekool zet dus invloedrijke families in. Ik begin te begrijpen waarom het Beheersinstituut door de bocht gaat, ondanks de openlijke twijfels aan het kunnen van Bruinekool. Als zulke mensen die garant staan, wat kan er dan mis gaan?

Verder blijkt uit het verslag dat de fabriek A. Meijer bij de inbeslagname inderdaad onder beheer van de Heinekenbrouwerij staat, wat klopt met de versie van mijn moeder. Borgstein, een knecht van Aldert is kennelijk nog aan het werk.

Van Rooij maakt een inventaris van de fabriek op, in de opkamer, gelijkvloers, zolder, op de vliering en op kantoor. U vindt het overzicht onder aan dit artikel. Er staan de nodige machines, maar de meeste fabrieken hadden nog een bescheiden omvang. Wat wel opvalt, is dat er geen handelsvoorraad is. Tegen het einde van de oorlog is de productie waarschijnlijk vrijwel stil komen te liggen door gebrek aan grondstoffen. En Heineken heeft alleen nog belang voor verkoop van hun eigen bier. Overigens heeft A. Meijer lang bier van de Zuid-Hollandsche Bierbrouwerij verkocht, wanneer hij op Heineken is overgegaan weet ik niet.

Het bedryf  heeft alleen nog toewijzing van vaten bier, die betrokken worden van Heineken’s Brouwery te Amsterdam.  De Heer Drees van deze firma heeft zich bemoeid met de juiste verdeeling van het bier na de arrestatie van A.Meyer.  Ik stelde me vanuit Weesp telefonisch in verbinding met de Heineken’s Brouwery, doch den heer Drees niet treffende verzocht ik hem  de boodschap te willen overbrengen, dat dit bedrijf onder onze controle staat. Ik gaf het telefoonnummer van de Parklaan op.

Een knecht van de Heer Meyer genaamd Borgstein, Korte Muiderweg 8 te Weesp was in het bedrijf aanwezig.

Door de oorlog ligt de zaak bijna plat. Alles wordt gedistribueerd en is op de bon. Als fabriek heb je daarom toewijzingen nodig, en die heeft de fabriek alleen nog voor bier. En zonder bijvoorbeeld een suikertoewijzing, kun je dus geen limonade meer maken. De knecht overhandigt de nodige kwitanties.

Na het bezoek heeft de heer Dyk deze zaak toegezegd aan de heer Bruinekool. De a.s. schoonvader van de Heer Bruinekool de Heer E.H. van Duikeren verklaarde zyn a.s. schoonzoon  financieel  te zullen steunen. Samen zouden zy  naar de Heineken’s Brouwery  te Amsterdam  gaan  ten einde te verkrygen, dat de zaak door de Heer Bruinekool op dezelfden voet zou kunnen worden  doorgedreven. De Heer van Duikeren wilde wel gaarne  weten of  er nog kans bestaat, dat Meyer de zaak weer zou kunnen opeischen. Daaromtrent konden wy hem geen zekerheid geven.

Bruinekool hoopt duidelijk dat hij de fabriek van mijn opa niet alleen tijdelijk kan overnemen, tot eventuele schuld of onschuld van A. Meijer is vastgesteld, maar wil hem meteen maar helemaal inpikken. Dat zal anders lopen.

Nadat de fabriek in beslag is genomen gaan De Rooij en Dijk naar mijn oma, die thuis in Bussum is.

De volgenden morgen dd 9 augustus  1945  vervoegde ik  my by Mevrouw Meyer, Brinklaan 14 te Bussum en na de daar aanwezige boeken in beslag alsmede een sleutel  van de brandkast aanwezig  op het kantoor te Weesp. Mevrouw Meyer verklaarde, dat balansen  en verdere hoofdboeken  te vinden zouden zyn in de muurkast te Weesp. De brandkast zou ledig  zyn.  Deze boeken heb ik op parklaan 37 afgegeven. Daarna  heb ik deze boeken en de sleutel  van de brandkast in de handen van de Heer Kok gesteld. In het onderhoud  met Mevrouw Meyer  kwam naar voren , dat de Heer Drees van de Heineken’s Brouwery een kasboek heeft aangelegd en bygehouden dat in zyn bezit moet zyn.

Het document werkt aan de ene kant verhelderend, maar roept aan de andere kant veel vragen op. De belangrijkste: wie heeft die beschuldiging over die 15 mille gedaan, en is hij waar?

Naar het Nationaal Archief

Ik besluit iets te doen, een taak die in zekere zin al mijn hele leven op mij lag te wachten: ik neem contact met het archief op. Ik krijg antwoord. Er is inderdaad een dossier over mijn opa, maar het is beperkt toegankelijk. Ik krijg toestemming voor inzage maar mag geen foto’s maken. Op een donderdag pak ik de trein naar het Nationaal Archief in Den Haag.

Het dossier blijkt dun, en lijkt incompleet. Niets over de rechtszaken, maar alleen iets over het oppakken en de vrijlating van Aldert Meijer. Ik word gefouilleerd en onder toeziend oog van bewakers ga ik aan het werk.

Ik vind een kort verslag. Op twaalf mei komt de Politieke Opsporingsdienst kennelijk aan de deur voor een onderzoek en nemen hem mee. Het verslagje vertelt dat Aldert van ’37 tot ’39 lid van de NSB is geweest maar zich er daarna niet meer mee heeft bemoeid. Er worden een paar getuigen genoemd die daarover gehoord kunnen worden.

Aangezien de verdachte niet onder de termen van de A.L. valt is hij met toestemming van den Commandant weer naar huis gestuurd. Verzekerende dat de inhoud van deze verklaring volgens de woorden van de verdachte is opgemaakt, onderteken ik,

LG Wolf, Bussum 12 mei 1945.

Wolf voegt er nog aan toe:  Verdachte heeft een paard en wagen die hij nog in zijn bezit had ter beschikking gesteld direct na de capitulatie aan Dr. Coebargh van de 3e Compagnie ter beschikking gesteld.

Het lijkt allemaal mee te vallen. Maar dat verandert opeens als er opnieuw een arrestatieploeg voor de deur staat. Ik vind een kort verslag geschreven door  de commandant van de arrestatieploeg, marechaussee Hendrikus Veldman. Hij heeft Aldert Meijer op 30 Mei 1945 opgepakt:

Als verdacht van lid te zijn geweest van de nationaal socialistische beweging

Verdachte is door mij onverwijld overgebracht naar: de Brandsmaschool Graaf Wichmanlaan 21 te Bussum en aldaar ter beschikking gesteld van het Hoofd van den Politieken Opsporingsdienst, District Hilversum.

brandsmaschool

Brandsmaschool

Aldert is dus eerst opgesloten in een voormalig schoolgebouw. Daarna is hij overgebracht naar Kamp Laren NH. Van een verblijf in de vesting Naarden vind ik niets. En belangrijker: er is in het dossier niets te vinden over de beschuldiging dat Aldert 15 mille zou hebben betaald. Hij is kennelijk puur opgepakt vanwege zijn lidmaatschap van de NSB. Waar kwam die beschuldiging van die 15 mille dan vandaan als het niet van de P.O.D. kwam? Ik heb er zo mijn vermoedens over.

Bij zijn arrestatie worden Alderts persoonlijke bezittingen in beslag genomen, zoals blijkt uit een ontvangstbewijs van 30 mei 1945, 17.00 uur: Gouden horloge, Portefeuille met F. 1,57, bos sleutels, Vulpenhouder, vulpotlood, zakmes, Heeren rywiel.

Wat ik hier uit begrijp, is dat hij van huis is opgehaald door een arrestatieploeg, maar dat hij zelf – onder bewaking – naar zijn gevangenschap moest fietsen (vandaar de inbeslagname van het Heerenrijwiel). Ik vind er een bewijs van inbeslagname van, maar Aldert zal ze nooit terug krijgen. Bij zijn invrijheidstelling moet hij van alles afstand doen. Waarom krijg je je sleutelbos of je zakmes niet terug? Ik gok, en als ik er de oude kranten op na sla, blijkt dat ik waarschijnlijk goed gegokt heb. Niet alleen de bewakers jatten als de raven, maar ook de medewerkers van het Beheersinstituut. De hele boel is waarschijnlijk gewoon ergens ‘verdwenen.’

Kamp Laren NH

Kamp Laren voor de oorlog

Kamp Laren voor de oorlog, toen er militairen lagen.

Daar zat mijn opa dan. Eenenvijftig jaar, een gevoelige man wiens leven draaide om vioolspelen, theosofie, vrijmetselarij. Iemand die probeerde de zakenman te spelen, maar daar volgens zijn omgeving eigenlijk te naïef en goeiig voor leek. Gevangen tussen mannen waarvan een deel de vreselijkste dingen had gedaan tijdens de oorlog. Ruw volk. En meer nog: gevangen in een kamp. In zijn sollicitatiebrief vertelt Aldert dat hij ‘door omstandigheden’ in concentratiekamp Laren heeft gezeten. Daarmee is  niets te veel gezegd.

De geschiedenis van het kamp is bij gebrek aan bronnen nauwelijks of niet te schrijven, maar een algemene indruk is goed te geven. Zoals gezegd, mijn opa heeft er volgens mijn moeder ‘de blaadjes van de bomen gegeten.’  In 1948 verscheen er een algemeen rapport over de Nederlandse interneringskampen, dat vertelde over vreselijke wantoestanden. Ondervoeding en mishandeling.

Volgens mijn moeder was het begin het ergst, en werd de toestand in het kamp geleidelijk beter. Opa mocht in ; 46 zelfs weer een viool hebben en spelen. Hij was een groot bewonderaar van zigeunerviolisten. Daarvan zaten er een aantal in het kamp en zo leerde hij hun bijzondere stijl. Zigeuners waren in de oorlog nog feller vervolgd dan joden, dus wat deden die daar trouwens tussen de oud-SS’ers enz., vraag ik me af.

Kamp Laren is in tegenstelling tot veel andere gevangenissen waar verdachten werden opgesloten, wel een ‘geschikte plek,’ in die zin dat er barakken zijn. Maar of dat veel uitmaakte? In 1947/48 begint de lokale pers zich af te vragen wat er in Kamp Laren in vredesnaam aan de hand is. (Aldert is dan al vrij gelaten). Er breekt dan namelijk voor de vierde keer brand uit in een barak. De politie en brandweer schieten meteen te hulp, maar het komt tot een vechtpartij met de kampbewakers. Die wil ze er niet in laten. ‘Is het een wonder, dat dan de vraag onwillekeurig gaat rijzen: wat heeft men in dit kamp te verbergen?’ schrijft de Gooi en Eemlander op 31-07-1948.  Dat is al lang nadat mijn opa was vrijgelaten, toen het al ‘beter ging in het kamp.’

In juni 1947 wordt de eigenaar van een autowerkplaats in het kamp betrapt als hij 1200 kilo graan het kamp in probeert te smokkelen, omdat zijn dwangarbeiders ondervoed zijn.

Er worden in 1947 in één keer 53 bewakers ontslagen, zonder opgave van redenen. Maar die redenen kan ik ook wel raden. De hele boel is één Stanford Prison Experiment. Ongetrainde, onervaren bewakers, op wraak belust. Dat kon niet goed gaan.

DE Waarheid 27 02 1947 bewakers ontslagen

 

Uit Kamptoestanden:

Te Laren werd in het kamp Crailoo nog in Juli 1948 op klaarlichte dag de heer van der Hoven, die niet geheel normaal was en in een vlaag van verstandsverbijstering — een paar weken voor zijn invrijheidstelling — tegen de draad opvloog, in koelen bloede van dichtbij doodgeschoten. Natuurlijk — Befehl ist Befehl — we hebben het meer gehoord! De draad mag niet worden aangeraakt. De pers zeide dat ,,in de schemer iemand die ontvluchten wilde neergeschoten was”. Ja, het pleegt ‘s middags om acht minuten over drie op 23 Juli niet te schemeren. 

Het algemene beeld is duidelijk. Persoonlijk weet ik er niet meer van dan dit: A. Meijer (1894) werd ook nog eens aangezien voor A. Meijer (1905),  Arnold Meijer, een bekende Nederlandse fascist. Dat vertraagde volgens mijn moeder zijn vrijlating, maar zal zijn behandeling door de kampbewakers ook niet ten goede zijn gekomen.

Aangrijpend gedicht

In de spullen van mijn opa vind ik een gestencild gedicht, een hele A4 vol. Het is een aangrijpend gedicht gemaakt voor de jaarwisseling 1945/46, door een R v.d. Mei senior. Na lang zoeken ontdek ik dat het een leraar is uit ‘s Gravenhage, Rink van der Mei (15-11-1894 in Haulerwijk – 16-03-1972 in Jubbega-Schurega), die ook enige ‘opvoedkundige teksten’ schreef in NSB-blaadjes. In gedachten zie ik mijn opa zitten in de schaarsverlichte barak. Honger, kou, stilte en heimwee. Aan de wand bij zijn brits met strozak hangt de foto van zijn gezin die ik nog heb, met de gaatjes van de punaises er nog in.

De storm giert, de hagel klettert. Daarbuiten is het een donkeren lucht. Ze zitten zwijgend bij de kachel, geen van de mannen spreekt of lacht.  Wat brengt de vrienden zo aan het peinzen? Waarom zo stil, wat rooft hun spraak? Het oude jaar is weer ten einde, een jaar van leed, een jaar van wraak. (voor complete tekst: zie bijlagen)

Verdediging

Eenmaal in het kamp wordt Aldert te werk gesteld, net zoals zijn medegevangenen. En zijn ‘zaak’ begint. Eerst is er een intake, waarbij onder andere een uitgebreid schriftelijk signalement wordt opgesteld. Ik leer er onder andere uit dat Meijer grijs/wit hoofdhaar heeft; schouders horizontaal;  oorlel halfvast;  gezicht mager; oogen groot, blauw; neus groot smal. Wat ik nog niet wist van foto’s: hij heeft boven een kunstgebit. Er staat een vingerafdruk bij het signalement, maar geen foto. Er staat ook dat hij Ned. Herv. is, terwijl hij bij mijn weten doopsgezind was.

Op 25 juni verhoort dezelfde Hendrikus Veldhuis – die Aldert arresteerde – zowel mijn opa als oma. Kennelijk is mijn oma tussendoor nog een keer verhoord op 1 juni, maar dat zit niet in het dossier.

Verdachte gehoord door mij op 25 juni 1945

Ik ben lid geweest van 1937 tot 1943 nadien niet meer. Ik weet van een boete lijst niets af. Ik ben nog nooit op een vergadering geweest. Hoe of ik op die lijst van Augustus 1943 voorkom snap ik niet. Ik heb samengewerkt met leven van de verzetsbeweging onder andere met Kehl, W. Brinklaan 5 te Bussum. Ik heb na 1943 ook nooit geen contributie betaald. Ik ben vrijmetselaar 3e graad. Ik heb joodsche families voortgeholpen, onderduikers in mijn fabriek zoowel als thuis verborgen gehad.

Vervolgens spreekt Veldhuis met mijn oma:

Door mij is gehoord Lamberdina Marckelbach, geboren te Bolsward 22 januari 1894, gehuwd met A. Meijer, zonder beroep, wonende te Bussum Brinklaan 14, die het navolgende verklaarde:

“Toen ik vrijdag 1 juni 1945 door U gehoord werd heb ik niet de waarheid verteld betreffende mijn man. Ik kom nu echter de waarheid vertellen daar mij is gebleken dat het beter is . Ik weet dat mijn man lid is geweest van de NSB. Hij wou daarbij vandaan, maar dit is niet toegestaan. Later heb ik gehoord dat hij zich wel bedanken kon en heeft dat ook gedaan. Voor de inlevering van de radiotoestellen had mijn man bedankt. De radio mochten wij toen ook niet meer houden. Er zijn ook geen NSB ers bij ons aan huis geweest om over politieke belangen te spreken. Er zijn nooit geen kranten of politieke bladen bij ons in huis geweest. Ook heb ik nooit voor mijn man contributie betaald. Het is laksheid van mijn man geweest. Hij ging nooit naar de vergaderingen. Nam aan het politieke leven van de NSB nooit deel en had naar mijn mening ook geen simpathie voor die vereeniging. Waarom hij lid geworden is destijds is voor mij nog steeds een raadsel.

Hoe de kwestie precies zit, weet ik niet. Aldert is in 1937 lid geworden van de NSB en wilde volgens eigen zeggen in 1939 opzeggen. In dat jaar pleegde Quisling in Noorwegen zijn bekende verraad, en waren Aldert ‘de oogen open gegaan.’ Later werd hem duidelijk gemaakt dat zijn opzegging niet was geaccepteerd, en heeft hij het er bij laten zitten, tot hij eind 1942 nogmaals opzegde, ditmaal via een aangetekende brief. Hij heeft dit verhaal tijdens een eerste verhoor verteld, nog voordat hij geïnterneerd werd. Vervolgens werd er bij een inval echter een ledenadministratie in beslag genomen met daarin een ‘boetekaart’ over 1943.

Een korte notitie maakt dat duidelijk: Komt voor op de lijst NSB leden na Augustus 1943 en in beslag genomen bij de garage Went te Bussum. 

Bovendien zou Aldert vrijstelling hebben gekregen van ‘radioinlevering.’ Dat riep genoeg vragen op bij de Politieke Opsporings Dienst (POD), om Aldert op te pakken. Een andere korte handgeschreven notitie:

Volgens zijn verklaring geen lid van de NSB meer, doch staat op lijst I, welke gemaakt moet zijn na aug. 1943. Onderzoek en eventueel arrestatie (later getyped:)  Ingesloten 30 Mei 1945. H. Veldhuis

.

Nicolaas Went 70 jaar

Nicolaas Went op 70-jarige leeftijd

Nicolaas Went had een Ford-garage aan de Landstraat 116 in Bussum, met 20 man in dienst. Ooit zag Went in Duitsland dat Hitler de werkeloosheid daar echt oploste. Daardoor werd Went een fanatieke NSB’er. Het zou me niet verbazen als Aldert zijn Ford hij deze bij Went had gekocht. Overigens was Went daarmee een concurrent van die andere garagehouder: N. R. van Zalinge.

Vervolgens schrijft Aldert een brief aan de Kampcommandant, met zijn eigen versie van het verhaal, en bovendien een lijst van mensen die kunnen getuigen van zijn goed vaderlanderschap. Hij haalt er van alles bij, alles wat maar in zijn voordeel zou kunnen pleiten.

Den WelEd. Heer Kampcommandant,

Laren

WelEd. Heer.

Ondergetekende A. Meyer, Brinklaan 14 Bussum, thans gedetineerd onder no. 783 Kamp Laren, Barak 7 Kamer 1 heeft de eer u het volgende onder de aandacht te brengen.

Uit idealistische overwegingen sloot ik my in 1937 aan bij de N.S.B. Toen in 1939 Quisling in Noorwegen zijn verraad pleegde, gingen mun oogen open en bedankte ik mondeling aan den penningmeester, terwyl ik de contributie over 1939 betaalde en rekende my dus niet meer als lid.

Eenige weken nadat de Duitschers ons land hadden overvallen , kwam dezelfde penningmeester te mynyn (sic) huize, en deelde myn vrouw mede, dat myn opzegging niet van kracht was geweest. Ik heb toen de zaak te licht opgevat, en mede door myn drukke werkzaamheden ( ik heb een limonadefabriekk, azynmakery, hoofdagentschap van de Heinekens Brouwery, Coca Cola, Heroartikelen, Oud’s wynen, enz.) kwam ik er pas in 1942 (n.b de 2 is later handmatig in 3 veranderd) toe, schriftelyk te bedanken (aangeteekend). Direct na de Duitse inval ben ik illegaal gaan werken, en wel het volgende:

Assistentie Joden. F. Bamberger, Van Ostadelaan Naarden. Voor deze familie heb ik koperwerk en papieren in bewaring genomen, en heb hen geholpen met levensmiddelen. Fam. Bloch, Graaf Janlaan Noorden, Gramofon (sic, MV) in bewaring, ook geassisteerd met levensmiddelen. Expeditiebediende Heinekens Brouwey ik zond zyn vrouw levensmiddelen en hemzelf naar het kamp Westerbork, drie maal een pakket levensmiddelen en sigaretten.

 2 Amerikaanse dames Mevr. Lakeman en haar dochter te Muiden, klanten van my, werden door de Duitsers naar de oorlogsverklaring in van Amerika in Amersfoort geinterneerd. Na herhaald bezoek aan de Gestapo, Euterpestraat Amsterdam, hetgeen voor my zeer gevaarlyk was, daar ik al verdacht was (van jodenhulp), gelukte het my de dames vry te krygen. Vlak daarop kreeg ik ’s avonds huiszoeking een (sic) een week daarna nog eens. Een schriftelyke verklaring en dankbetuiging van Mevr Lakeman berust bij myn advocaat, Mr. de Kort Eslaan Bussum. Een van mijn illigale vrienden had een geheim luik, in mijn huis gemaakt, waar ik kon wegduiken, en waar de joodsche papieren en koperwerk verborgen waren, zoodat de moffen een strop hadden. Hier bewaarde ik ook de verspreide exemplaren van Vry Nederland en Parool.

Onderduikers. In myn fabriek te Weesp ruimde ik een plaatsje in voor onderduiker welke ik tevens een behoorlijk loon betaalde. Thuis herbergde ik o.a. Ad v.d. Teer V. Ostadelaan, een B.S.er. In Weesp stelde ik myn paard en wagen gratis beschikbaar voor de stakende spoorarbeiders en verstrekte ik hun met de feestdagen wyn, limonade enz.

De onderdirecteur van Heinekens Brouwery, de Heer W. van Haaften, wiens zoon moest onderduiken ( hy is thans verbindingsofficier in ons leger,) werd door my gedurende de oorlogsjaren voorzien van boter, kaas, suiker etx. Dankbetuiging ligt hier in het kamp by de visitatie. In Weesp dwongen de Duitsers my met myn paard en wagen voor hen te ryden. Ik saboteerde dit zoo, dat de Chef van Politie my waarschuwde, dat ik te ver ging.

Een uitvoerig Proces Verbaal werd in Juni in Bussum, na een degelyk onderzoek van het bovenvermeldde, en nog meerdere feiten, opgemaakt door een ambtenaar van de P.O.D., den Heer Veldhuis, en waarin van myn zeer anti Duitsche stemming wordt gewag gemaakt. Verder wilde ik nog vermelden, dat ik nu reeds 23 jaar lid van van de Gemenge Orde der Vrymetselary “Le Droit Humain”, loge Hermes te Bussum en door verschillende omstandigheden langpatiënt ben geworden. Het onderzoek in  het Sanatorium heeft uitgewezen, dat er gevaar bestaat voor T.B.C. U begrypt wel, dat myn rechtgevoel na alles wat ik naar my beste weten illegaal werk heb gedaan, een gevoelige kwauw heeft gekregen, en roep ik Uwe gewaardeerde assistentie in , om dit onrecht zoo spoedig mogelijk te herstellen, mede in verband met myn gezondheid.

Overstaand geef ik U nog eenige van myn vele referentien:

Referenties:

Mr. v.d. Teer (sic, MV), v. Ostadelaan Naarden, Oud Kap. Ter Zee Ned Marina oud Commandant vliegkamp de Mok, Bruin, Burg. ’s Jacobslaan Bussum, voorzitter Vrymetselaarsloge, van Haaften, p.a. Heinekens Brouwery Amsterdam, Fam. Clinge Doorenbos, ’s Gravenlandse weg Bussum, E.B. Smit, Ambtenaar P.O.D. ’t Kruisput Naarden, Mr. van Herwaarden, Lamb. Hortensiuslaan Naarden, lid B.S., Mr. Kehl, Brinklaan Bussum, B.S. Lid e.a.

Hoogachtend

w.g. A. meyer

Het is duidelijk dat opa er alles aan doet om duidelijk te maken dat hij niets met de Duitsers op had, en er alles bij haalt. Enkele verhalen komen me enigszins bekend voor, het meeste niet. Het verhaal van de weduwe is in de familie niet bekend. “Je kon in die tijd maar beter nergens over praten,” vindt tanta Carla er van. De Weduwe Lakeman moet de eigenaresse zijn geweest van het in Muiden bekende café Lakeman aan de Sluisstraat 352.  Als reden geeft Aldert hier dat het Amerikanen zouden zijn geweest, die werden vastgenomen toen Amerika de oorlog verklaarde aan Duitsland, dus in 1941.

weduwe Lakeman Muiden

Ik vind een foto van het café van 1 september 1943. Op het linkerraam is de naam Lakeman geschilderd. De tekst van het bordje dat er onder hangt schetst het tijdsbeeld: ‘Voor joden verboden.’

Cafe Lakeman 1 september 1943

Met de meeste getuigen die opa aanvoert, wordt door de POD gesproken. Een deel daarvan komt me bekend voor. Ad van der Teer, moet Ad van der Feer zijn,  de broer van de verloofde van dochter Carla. Ad zat inderdaad in de illegaliteit. Zijn broer Hans werd door de Duitsers betrapt met illegale kranten, en werd afgevoerd naar concentratiekamp Neuengamme.

Jenne Clinge Doorenbos is de dochter van de bekende dokter Doorenbos, waar mijn opa als kind vaak kwam. Zij schrijft dat ze Aldert al zijn hele leven kent, dat ze onderduikers had, en dat Aldert haar vaak hielp zonder ergens naar te vragen.

Van Haaften, is Wim van Haaften, onderdirecteur en verkoopleider van de Heineken Brouwerij. Van de familie Van Haaften heb ik diverse lange en hartelijke brieven en kaarten om te bedanken voor wat Aldert hen tijdens de hongerwinter stuurde: boter, suiker en zelfs kaas.

Ook de fabriek speelde een rol, Aldert had er een onderduiker aan het werk.

De getuigen bevestigen in grote lijnen het verhaal van Aldert zelf. De volledige verklaringen vindt u in de bijlagen.

Daniël Vos die de getuigen heeft ondervraagd concludeert:

Ik verbalisant verklaar, dat mijn indruk omtrent verdachte dusdanig is, dat genoemde een slappeling en makkelijk te bepraten object is. Uit informaties blijkt mij, dat verdachte ernstig gepoogd heeft zijn gedane fout te herstellen. Van verdachte is, mits hij onder toezicht blijft inzake zijn politieke gedragingen, zeker iets te maken.

Het is duidelijk. Aldert Meijer is geen actief NSB’er geweest. De kwestie van de 15 mille speelt geen enkele rol in het onderzoek. Aldert is slechts op papier lid geweest van de NSB, en als het bij de eerste keer opzeggen goed zou zijn gegaan, was hij al in 1939 uit de partij getreden. Het lijkt er echter op, dat ook de tweede opzegging – per aangetekende brief – niet verwerkt is. Hij kwam daarom op een boetelijst van augustus 1943.

Waarom Aldert ooit lid was geworden? Uit ‘idealisme,’ tegen het bolsjewisme. Uit ‘economische motieven’ denkt een van de mensen van de POD, ‘zonder oog te slaan op het politieke.’ Of omdat Meijer een slappeling is, die gemakkelijk te bepraten is, vindt Vos. Zijn advocaat meent dat hij ‘uit angst’ lid is gebleven. Mijn oma had ‘geen idee’ waarom haar man lid was geworden en was er altijd fel tegenstander van geweest.

Herstart en nasleep: 1948 – 1960

Strijd met Heineken

invrijheidsstelling

Het is duidelijk dat Aldert geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid en besloten wordt Aldert Meijer vrij te laten. Dat gebeurt op 12 april 1946. Op 3 september volgt een voorwaardelijke buitenvervolgingstelling. Aldert wil weer aan het werk, een inkomen verdienen voor zijn hongerlijdende gezin. Maar zover is het niet. De fabriek is nog steeds onder beheer.

Op de fabriek gaat het ondertussen helemaal niet goed. Donkersloot (met financiële hulp van Van Duikeren) heeft gezien dat er andere manieren zijn om snel geld te runnen, dan het produceren van limonade. De grondstoffen zijn op de zwarte markt een veelvoud waard. Aldert klaagt dat hij zelfs tijdens de oorlog altijd normale prijzen heeft gerekend, maar nu rekent de fabriek zwartemarktprijzen. Het wordt zelfs het Beheersinstituut te dol.

Het beheer van de fabriek wordt na twee jaar overgenomen door een andere maatschappij, die simpelweg Lusandros wordt genoemd. Het duurt lang voordat ik er achter kom wie of wat het is. Maar eindelijk… Het blijkt te gaan om de in 1939 opgerichte  N.V. Handel- en Exploitatiemaatschappij Lusandros.  Lusandros blijkt Heineken zelf te zijn.  “Lusandros is een Heinekendochter die tot taak had diverse agentschappen draaiende te houden,’ vind ik in het personeelsblad van Heineken. De maatschappij is trouwens vernoemd naar de Griekse generaal die in 404 v.Chr. de Atheense democratie versloeg en er een dictatuur vestigde.

Ook Lusandros heeft heel andere motieven dan een goed beheer voor hun trouwe zakenpartner. De maatschappij blijkt bezig te zijn om de fabriek op haar eigen naam te stellen en verkoopt al machines. terwijl Aldert nog onder beheer zit en er van een veroordeling geen enkele sprake is.  Er is dus haast geboden, schrijft Aldert een brief aan de POD, want waar moet Aldert anders na de oorlog zijn gezin van onderhouden?

De kwestie is n.l. de volgende:

Toen ik half April werd vrijgelaten ging ik natuurlijk direct naar mijn fabriek, die ik na jarenlang eerlijk en hard werken met groote zorg en financiele offers heb opgebouwd tot een flinke zaak. Het bleek mij dat de aanvankelijk door het Beheers Instituut aangestelde beheerder onbekwaam was geweest en diverse dingen had gedaan die niet door de beugel konden.

De tweede en huidige beheerder is thans bezig de zaak op zijn naam te krijgen en heeft hij al diverse machines weggevoerd, waartegen ik, daar ik nog gebonden ben niet kan doen en moet ik lijdelijk aanzien dat mij alle kans om in de toekomst voor mijn vrouw en kinderen het brood te verdienen, wordt ontnomen.

Verschillende instanties, de Heer Jalink van het Beheers Inst., mevrouw (onleesbaar: Nijsterg?) van het Bureau voor toezicht op pol delinquenten en verschillende vrienden willen mij helpen de zaak weer terug te krijgen althans te redden wat nog te redden valt. Alles wacht echter zoals gezegd op mijn dossier en zou ik Uwe vriendelijke hulp willen inroepen, en mij te helpen en het dossier spoedig te willen doorzenden. Bij voorbaat dank ik U voor de te nemen moeite en verblijf

Hoogachtend, Meijer, Brinklaan 14 Bussum

De brief heeft effect. Een rode krabbel op het dossier, en twee dagen later is het door. Aldert krijgt zijn fabriek terug. Op 4 januari 1947 wordt het beheer over het vermogen opgeheven “Met de bepaling  dat hij zal worden hersteld in het genot van het beheer over zijn geheele vermogen onder aftrek van de waarde van  f. 806 – ter verrekening van hetgeen hij het Bijzonder  Gerechtshof te  Amsterdam  en aan het Nederlandsche Beheersinstituut  schuldig is.’ Op 8 april 1947 volgt opheffing van het beheer op de fabriek.

Maar hoe? De fabriek is leeggeroofd en de tijden zijn nog steeds moeilijk, door de schaarste. Het komt tot een lange rechtszaak. Hier lijken helaas geen dossiers van bewaard, behalve enkele brieven in ons familie-archief. De bekende prof. Gerbrandy moet uiteindelijk ingrijpen. Lusandros/Heineken doet er alles aan om Aldert dwars te zitten. Er worden verschillende keren ‘minnelijke schikkingen’ getroffen, die Lusandros vervolgens niet nakomt. De verkochte – vrij nieuwe – machines worden niet teruggehaald, maar Aldert moet het doen met oude afdankertjes die Heineken daarvoor in de plaats zet.

Alderts advocaat schrijft ten einde raad aan de voorzitter van de Raad voor Rechtsherstel:

Hier hebben we dus te maken met een tweede m.i.  onbehoorlijke  handeling van N.V. Lusandros, die eerst voor een appel en een ei gebruikmakend van de ongunstige omstandigheden waarin mijn client verkeerde misbruik heeft gemaakt en thans de gemaakte minnelijke regeling niet wenscht na te komen.

Die voorzitter van de Raad voor Rechtsherstel is Prof. P.S. Gerbrandy tussen 1945 en 1948. Hij is bekend geworden als premier van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen en zet zich persoonlijk voor de zaak van Aldert in en regelt uiteindelijk dat Lusandros een extra suikertoewijzing krijgt, waarna de maatschappij Aldert niet langer kan dwars zitten.

Brief van 3 juli 1948, Aldert vraagt om 2 maand suiker. aan het bedrijfsschap: verkoop van mijn zaak aan de heer Lusandros :

N.V.  Handel- en Exploitatiemaatschappij Lusandros

Volgens vonnis  van de Raad voor het rechtsherstel onder presidium  van Prof. P.S. Gerbrandy dd. 10 M art. 10  werd de destijds aangegane overeenkomst tot verkoop van mijn zaak tusschen het Beheers Inst. en Lusandros ongedaan gemaakt en werd ik weer in het bezit  van mijn fabriek gesteld met alle oude toewijzingen. […] Per 1 juli zou ik weer kunnen draaien en heb ik mijn machines reeds gereed staan. […] waar ik bij gebrek aan suiker nog niet regelmatig kan werken en ik dus nog niet dagelijks in Weesp op de fabriek ben, verzoek ik u mij dit keer de toewijzing  naar mijn privéadres: Brinklaan 14 te Bussum te willen zenden.

Lusandros heeft dus succesvol twee jaar tegengewerkt, terwijl Alderts gezin in diepe armoede moest doorbrengen. Mijn moeder herinnerde zich ieder jaar met tranen in haar ogen de periode waarin ze met kerstmis een ingepakt potlood kreeg voor op school. Geen verwarming, geen licht, en nauwelijks te eten.

Regeling getroffen (bij het bureau Bierhandel & mineraalwaterindustrie) tussen dhr. Lussandros/lusandros en Meyer: , vestigingsvergunning, suikertoewijzing, jenevertoewijzing terug, met agentschappen bemoeit Lusandros zich niet, Meyer krijgt de inventaris terug zover nog aanwezig (afwezig zijn in ieder geval paard en wagen, spoelkuip en flesschen-spoelmachine. Meyer ontvangt voor de afwezige goederen de opbrengst (800 a 900 gulden) overdracht uiterlijk per 1 mei 1948.  getekend: Mr. Baron van Haersolte

Daarmee kan Limonadefabriek A. Meijer eindelijk weer gaan draaien. Maar de tijd is slecht. De verkoop van fabrieksproducten komt niet meer goed op gang. Aldert probeert de fabriek te verkopen, maar ook dat lukt niet. Hij besluit om er naast weer naar zijn oude werk terug te gaan: boekhouden. Dat doet hij niet alleen bij de bekende boekhandel Los – in zijn jeugd de overbuurman – maar ook nb. bij Joodse vrienden. Niet iedereen is wraakzuchtig.

In opa’s sollicitatiebrief lees ik iets over hoe het verder ging met de fabriek:

Als zovelen heb ik in de oorlog een moeilijke tijd gehad en had gehoopt na de oorlog de zaak op te kunnen werken. De bieromzet is schrikbarend gedaald en de buitenzaken (café’s) in [onleesbaar], langs straatwegen etc. zijn gesloten gedurende de winter terwijl de verdienste  mede door de slechte tijd niet zodanig  waren dat ik hier ‘s winters kan teren.

Van mijn moeder hoorde ik nog andere redenen waarom het zo slecht ging met de fabriek. Voor de oorlog had Aldert geholpen om Coca Cola ‘er in te brengen.’ Na de oorlog is Cola opeens een gevestigd begrip, en moet Aldert betalen voor het agentschap van Coca Cola. En dat geld heeft hij om begrijpelijke redenen niet meer.

Aldert en Dien Meijer tijdens een rondleiding in de Coca Colafabfriek, 1940.

Aldert en Dien Meijer (in het zwart) tijdens een rondleiding in de Coca Colafabriek, 1940.

Daarnaast: de katholieke organisaties in Weesp riepen katholieken op om alleen bij elkaar te kopen. Als Ned. Herv. / Doopsgezinde had opa dus het nakijken. De hokjesgeest was terug en opa was zijn klanten kwijt.

De verdwenen spaarbankboekjes

Wanneer Aldert de fabriek verkocht heeft, of hoe, daarover vind ik niets. Ook mijn moeder en mijn tante weten het niet meer.

Er was nog een ander probleem. Toen hij gevangen werd genomen zijn alle levensverzekeringspolissen en pensioenpolissen in beslag genomen, en zelfs de spaarbankboekjes van zijn kinderen. Daarop had hun oma, uitgeefster Sijbrechtje Märckelbach geld gestort, voor later. Het blijkt allemaal weg. De recherche in Hilversum zegt niets te kunnen vinden.  Nog tot in 1954 probeert Aldert het geld van zijn kinderen terug te krijgen. Uiteindelijk blijkt dat het geld van de boekjes pal voor de verjaardag van Carla – de dag waarop ze meerderjarig zou worden en zelf de beschikking over haar boekje zou krijgen – is opgenomen.

Aldert schrijft nog een keer een brief waarbij hij alles uit de kast trekt.

Brief aan het beheersinstituut 7 juli 1954 over de verdwenen polissen: Na de bevrijding werd ik door een samenloop van omstandigheden ongeveer ult. Juli ’45 opgesloten in het concentratiekamp te Laren, waaruit ik op 12 april 1946 weer werd ontslagen. De directeur van de P.O.D. welke ik daarna om opheldering  verzocht deelde mij toen mede dat het eigenlijk niet nodig was geweest mij op te sluiten, het welk  blijkt uit  de acte van invrijheidstelling welke hier voor mij ligt, overigens een schrale troost.

Intussen bleek mij na mijn thuiskomst dat ik aan alle kanten zwaar was gedupeerd. De Heinekenbrouwerij  wiens agent ik was had mijn machines, materiaal, grote andere agentschappen etc. opgepakt. Deze zaak heb ik middels mijn advocaat  aanhangig gemaakt bij de Raad  van het Rechtsherstel te Den Haag, welke raad na 2 rechtszittingen onder presidium  van den Weledele Heer  Prof.  Mr. PS Gerbrandy op 10 maart 1948 mij onvoorwaardelijk weer in het bezit van mijn zaak stelde. Door onkundig beheer en andere (onleesbaar?) liever niet te noemen had men kans gezien de eertijds goede zaak tot de rand van de afgrond te brengen. (enz.)

Geld kwam van schenkingen van de ouders van oma. Het geld werd pal voor de verjaardag van Carla opgenomen, net voordat die meerderjarig werd. “Wat ook al weer te denken geeft.” Het komt mij voor dat de handelingen van het  Beheers Inst. te Hilversum  niet gericht waren op een zuiver beheer  maar op andere niet-eerlijke motieven en dat deze handelingen geheel indruisen tegen alle morele wetten van Kerk, staat en mens. De wetgever staat terecht altijd op de bres voor minderjarige kinderen en ik kan me niet voorstellen dat er één rechter in ons land een dergelijke handelswijze  zou goedkeuren.

Het antwoord is kort en bits. Het Beheersinstituut antwoordt dat er niets aan de hand is: Het komt ons juister voor om in Uw correspondentie insinuaties over ‘onregelmatigheiden” achterwegen te laten”

Besluit

Op 2 mei 1960 overlijdt Aldert Meijer aan een maagzweer. Binnen de familie is er geen enkele twijfel of deze is veroorzaakt door ‘het kamp’  en de zorgen over geld en de fabriek na de oorlog.

Dochter Carla is dan al getrouwd met Hans, die als een wandelend geraamte uit Neuengamme helemaal terug is komen lopen naar Nederland. Dochter Lydie – mijn moeder – trouwt aan het eind van 1960. Mijn oma Lamberdina Meijer-Märckelbach blijft alleen achter. Ze zal nog werken in schoonmaakbaantjes tot na haar 73e jaar. In 1956 voert minister Drees de AOW in. Het blijkt een uitkomst. “Ik heb het nog nooit zo goed gehad,’ vertelt mijn oma over de AOW als ze die vanaf 1960 ontvangt.

Hoe moet ik dit alles nu beoordelen? Mijn leven lang heb ik flarden van het verhaal gehoord, maar nooit het grote verband gezien. ‘Hoe kun je nou lid worden van zo’n partij?’ heb ik mezelf vaak afgevraagd? Maar tegelijkertijd zag ik de liefde van mijn moeder voor haar vader, hoorde van iedereen wat voor lieve en goede man hij was geweest, en haar verdriet om wat haar was aangedaan. Als kind van een NSB’er had je geen enkele verantwoordelijkheid, maar wel de straf, levenslang. De angst dat iemand er achter kwam! En als er iemand achter kwam? Dan werd je uitgekotst. Dus hield je je mond.

Aldert Meijer was lid van de NSB, daarover is geen twijfel. Voor zijn eigen gevoel was hij slechts twee jaar lid. Maar het liep anders. Tweemaal zei hij zijn lidmaatschap op, maar tweemaal lijkt dat niet te zijn geaccepteerd of verwerkt. Waarmee hij vijf jaar lang op papier lid is geweest.

Eenmaal terug in vrijheid,  was hij geruïneerd. Zijn fabriek leeggeroofd, zijn persoonlijke bezittingen verdwenen, het geld van zijn kinderen weg, zijn gezondheid geknakt. Drie jaar lang had het gezin op een soort minimumuitkering geleefd, die betekende dat er geen geld was voor verwarming, kleding, schoenen of zelfs eten. Alles van enige waarde in huis was verkocht. Drie jaar hongerwinter. Hoe kon Aldert nog ooit zijn gezin onder ogen komen?

Inderdaad, Aldert had een fout gemaakt. Hij is daarvoor zwaar gestraft. Te zwaar. Tegelijkertijd had hij veel goeds gedaan. Dat blijkt ook uit de steun die mensen hem na de oorlog gaven. Het enige wat ik me daarbij afvraag, hoe zat dat met vriend Van Haaften, toen zijn bedrijf bezig was opa’s fabriek kapot te maken? En Alderts gezin dat er allemaal niets mee te maken had, en zich tegen Alderts lidmaatschap verzet had, is ook zwaar gestraft, terwijl het geen enkele schuld droeg.

Het enige aan dit hele verhaal dat mij nog enigszins doet grimlachen, is als ik er aan denk hoe men in de gemeente Weesp zal reageren, als blijkt dat midden in hun dorp de naam van een  N.S.B.’er pronkt op een gemeentelijk monument. Limonadefabriek A. Meijer.

A. Meijer humorist.

P1210796

20151004_155509


Bijlagen

Gedicht voor de jaarwisseling 1945/46 in het Kamp Laren NH ( Crailoo)

kampgedichtfo

De storm giert, de hagel klettert. Daarbuiten is het een donkeren lucht. Ze zitten zwijgend bij de kachel, geen van de mannen spreekt of lacht.  Wat brengt de vrienden zo aan het peinzen? Waarom zo stil, wat rooft hun spraak? Het oude jaar is weer ten einde, een jaar van leed, een jaar van wraak. Ze staren ernstig in de verte; ze toeven bij hun vrouw en kroost, Gedachten zwerven door de ruimte, herinneringen schenken troost. Met weemoed denken ze aan het verleden, zo schoon van ideaal en deugd, wat is het alweer lang geleden, die tijd van werken, leven vreugd!/Zij zien hun vrouw nog in gedachten, druk bezig, zorgend de hele dag. Ze horen weer de kinderen spelen, Hoe vrolijk klinkt hun blijde lach!/Een stormvlaag kwam, sloeg alles neder;Er is geen vrouw meer en geen kind. Het huis is leeg, het haardvuur brandt niet, ‘t Geluk verdween, snel als de wind./Nu zitten ze rondom de kachel, Geen dezer mannen spreekt of lacht. Met stijf opeen geknepen lippen, Verbeiden ze de lange nacht./ Het oude jaar gaat naar het verleden, het sluipt ze stil, slaat d’ogen neer. Kleurt niet een schaamteblos zijn kaken? En prevelt het “Vergeef mij Heer?”/Het maantje kijkt weemoedig neder, Op ‘t verre kamp op Larens hei. In de natuur is rust gekomen, een donkere wolk schuift traag voorbij./ De mannen liggen op de strozak, ze waken, voelen, denken veel. Ze maken voor de toekomst plannen en bouwen menig luchtkasteel./ Maar eindelijk, eindelijk is ‘t. Pas nu staat voor reveille vast: het oude jaar is heen, voor altijd, weg met zijn leed, weg met zijn last./ Wat zal het nieuwe jaar hun geven? Zij weten niets, maar hopen veel. De hoop is ‘t die hen steeds doet leven. Die bron van kracht  schenkt elk zijn deel./ Stralend verschijnt dan de zon aan de kimmen, Giet over ‘t aardrijk haar warmte en licht.Schijnt over dwazen en schijnt over wijzen, Tekent haar invloed op ieders gezicht./ Weg met de zorgen, bewaar ze voor morgen. Lees vandaag in geluk en in vree; Hoop en geloof, en verdubbel in krachten, Denk aan de zwakken en deel met hen mee./ Dan is het hier nog wel waard om te leven, zelfs in een kamp is wel plaats voor geluk.Mannen blijft dapper, de hoofden geheven! Mannen weest kerels, en sta vast op uw stuk.

Laren, 31 december 1945. R.v.d. Hei Sr.

 

Rapport Beheersinstituut (met inventaris Fabriek)

Den achtsten Augustus 1945 bezocht ik in tegenwoordigheid van de Heer  Dyk de limonadefabriek A. Meyer – Achterom te Weesp N.H. A. Meyer is gearresteerd en eigenaar van deze fabriek. Hij woon prive te Bussum Brinklaan 14.  In den oorlog moet hij plotseling  in staat zyn geweest een schuld van 15 Mille af te lossen. Op zyn kantoor was een meisje werkzaam genaamd Lena Kraamwinkel wonende te Weesp  aan de Nieuwstraat 29.  Zyn boekhouder is P.Star Brederodelaan tegenover Nr. 10 te Bussum. De Heer T. Bruinekool Hoogstraat 55 te Weesp kwam dezer dagen aan de Parklaan en vroeg  bovengemelde zaak te kunnen overnemen. Hij werd geintroduceerd door den Heer N.R. van Zalinge Brediusweg 47  te Bussum.

Bij ons bezoek aan Weesp  kwamen wy in contact met den Heer  E.H. van Duikeren Groote Plein 1 te Weesp de a.s. schoonvader van den heer Bruinekool. De Heer Bruinekool is  ongeveer 25 jaar en zeide wel verstand te hebben het bedrijf waarnaar hy reflecteert.  Deze bewering is geheel  voor rekening van de Heer Bruinekool. Het bedryf  heeft alleen nog toewijzing van vaten bier, die betrokken worden van Heineken’s Brouwery te Amsterdam.  De Heer Drees van deze firma heeft zich bemoeid met de juiste verdeeling van het bier na de arrestatie van A.Meyer.  Ik stelde mu vanuit Weesp telefonisch in verbinding met de Heineken’s Brouwery, doch den heer Drees niet treffende verzocht ik hem  de boodschap te willen overbrengen, dat dit bedrijf onder onze controle staat. Ik gaf het telefoonnummer van de Parklaan op.

Een knecht van de Heer Meyer genaamd Borgstein, Korte Muiderweg 8 te Weesp was in het bedrijf aanwezig. Hy inde twee kwitanties voor gedane levering aan:

Rapiditas:  fl 28, 70

De Gooier: fl 30, 54

In portefeuille waren nog ongeind:

De Adelaar Weesp, f 30, 54

Verhoef Muiden, f2113

Amelroi,  ,, f 18, 92

Van Vliet, Ankeveen,  fl 21 13

Koster ,, fl 20, 69

Hollander, Nigtevecht,  fl 23, 33

 

Ik gaf opdracht de Heer Borgstein de geinde gelden onder zich te houden en af te wachten tot den Heer Kok van onzen dienst zou komen.

Telefonisch contact met den Heer Bruinekool is te verkrijgen via den Heer  P. van Duikeren Hoogstraat te Weesp.

Als inventaris trof ik aan:

Einde fabriek opkamer: 1 kookpot yzer,  1 gastel eenpits, 1 vat met kurken, 2 tafels, ledige flesschen met essence, eenige bussen met kleurpoeder voor limonade, 2 kruiken aardewerk.

Gelykvloers fabriek:  ca. 100 spuitwater syphons, 1 tafel, 3 schragen, 1 weegschaal oud, 1 biertapmachine, 3 koolzuurcylinders (2 vol),  ca. 350 flesschen,  ca. 50 flesschen voor tafelwater allen ledig), 1 kurkmachine, 1 spoelkuip, 1 spoelmachine, 1 vulmachine,1 compressor, 1 motor 1 p.k.  1 dryfas met 4 poulies en 4 drijfriemen , ca. 1000  stukts ledige kogelflesschen, 1 autobuitenband met velg, 2 emmers,  ca. 20 kisten

Vervolg inventarisatie 

Op den zolder: zes withouten cafe-terrasstoelen volgens verklaring van Borgstein toebehorende aan Venderbos te Weesperkarspel en aldaar in opslag.  Meyer zou van de opgeslagen stoelen  ook enige verkocht hebben volgens Borgstein.

Verder plakmateriaal, etiketten,  – boeken – 1 oude linnen kast met boeken.

Op den Vliering: Rommel en ca. 400 flesschen van diverse soorten

Op Kantoor: 1 Schryfbureau,  1 bureaustoel – 2 stoelen – 1 cylinder – bureau – 1 telefoontoestel aangesloten – 1 tafeltje – 1 schrijfmachine merk A.E.G. – 1 brandkast – 1 potlood – slyper – 1 looper – zeil als vloerbedekking –  1 lampje (toevoeging in potlood: 1 kachel, 1 thermometer, 1 barometer)

Na het bezoek heeft de heer Dyk deze zaak toegezegd aan de heer Bruinekool. De a.s. schoonvader van de Heer Bruinekool de Heer E.H. van Duikeren verklaarde zyn a.s. schoonzoon  financieel  te zullen steunen. Samen zouden zy  naar de Heineken’s Brouwery  te Amsterdam  gaan  ten einde te verkrygen, dat de zaak door de Heer Bruinekool op dezelfden voet zou kunnen worden  doorgedreven. De Heer van Duikeren wilde wel gaarne  weten of  er nog kans bestaat, dat Meyer de zaak weer zou kunnen opeischen. Daaromtrent konden wy hem geen zekerheid geven.

De volgenden morgen dd 9 augustus  1945  vervoegde ik  my by Mevrouw Meyer, Brinklaan 14 te Bussum en na de daar aanwezige boeken in beslag alsmede een sleutel  van de brandkast aanwezig  op het kantoor te Weesp. Mevrouw Meyer verklaarde, dat balansen  en verdere hoofdboeken  te vinden zouden zyn in de muurkast te Weesp. De brandkast zou ledig  zyn.  Deze boeken heb ik op parklaan 37 afgegeven. Daarna  heb ik deze boeken en de sleutel  van de brandkast in de handen van de Heer Kok gesteld. In het onderhoud  met Mevrouw Meyer  kwam naar voren , dat de Heer Drees van de Heineken’s Brouwery een kasboek heeft aangelegd en bygehouden dat in zyn bezit moet zyn.

Bussum, 9 augustus 1945. (handtekening: A.C. de Kooij? O.C. de Rooij?

Getuigenverhoren betrefffende A. Meijer

Contra Aldert Meijer

Verdacht van lidmaatschap NSB

In aansluiting op het proces verbaal van aanhouding en in bewaringstelling onder nummer 197 van Hendrikus VELDHUIS

Marechaussee Opsporingsambtenaar, als rechercheur werkzaam bij den Politieken Opsporingsdienst te Hilversum, afdeeling Bussum, contra den daarin genoemden

Aldert MEIJER, geboren te Bussum 23 september 1894, limonadefabrikant, wonende te Bussum, Brinklaan 14 verdacht lid te zijn geweest van de Nationaal Socialistische beweging in Nederland, heb ik…..

Daniel Vos, rechercheur bij den Politieen opsporingsdienst te Hilversum, afdeeling Bussum, tevens onbezoldigd rijksveldwachter, na daartoe bekomen opdracht gehoord….

(kantlijn: 1e getuige)

Wilhelmus Antonius Kehl, oud 36 jaar, kweeker, wonende te Bussum Brinklaan 5, die desgevraagd verklaarde:

“De door U bedoelde A. Meijer, wonende te Brinklaan 14 ken ik, doordat wij als buren omgang met elkander hadden. Dat Mijer voor den oorlog bij de N.S. B. geweest is is mij bekend. Toen ik uit het krijigsgevangenekamp Luckenwalde thuis kwam, was Meijer een van de eersten die mij kwam gelukwenschen, waarbij hij mij verklaarde niet meer met die rommel te maken te hebben. Dit was aanvang 1943. Wij hebben te samen, minstens twee jaar, illegale bladen gelezen. Een bij mij inwonende dame, zekere mevrouw Weijer die toen aan T.B.C. leed, heeft van Meijer steeds flesschen melk gekregen. Het is mij ook bekend, dat Meijer Joodsche goederen in bewaring had en ook een onderduiker in huis had. Ook toen er gespit moest worden voor de Moffen en diverse menschen onderdoken, heeft Meijer geld voor de goede zaak gegeven. Propaganda voor het nationaal socialisme, in welke vorm ook, heeft Meijer nooit gemaakt. Meer heb ik niet te verklaren.

Na voorlezing en volharding teekent getuige zijn verklaring. (handtekening)

2e getuige

Vervolgens verhoorde ik verbalisant ……. Jan VISSER, geboren te Amsterdam 26 Mei 1905 correspondent, wonende Nieuwe Englaan 6a te Bussum, die desgevraagd verklaarde:

“Ik ken de door U genoemde A. Meijer, wonende Brinklaan 14 doordat ik de laatste drie jaar van den oorlog geregeld bij de familie Meijer aan huis kwam. Toevallig was ik, kort na de bevrijding, aanwezig bij de arrestatie van den heer Meijer. De arrestatie van de genoemden heer – wegens zijn lid zijn van de N.S.B. was mij een verrassing, omdat ik nooit gemerkt heb, dat hij iets met de N.S.B. uitstaande had. Ik heb nooit periodieken of propagandamateriaal van de N.S.B. in het huis aangetroffen en nooit heb ik uit de gesprekken met Meijer, de indruk gekregen dat hij met de N.S.B. sympathiseerde. Inteegendeel verlangde hij als Nederlander naar de vrijworden zooals die nu heeft plaatsgehad. Zijn anti-Duitsche gezindheid bleek mij uit de mededeelingen van Meijer, dat hij goederen van Joden verborgen had. Voorts heeft hij moeite gedaan een weduwe, wier naam ik mij niet meer herinner, uit de handen van de Gestapo te krijgen. Dit heb ik zelve geconstateerd. Hij heeft aan iemand, die door de Duitschers gezocht werd, een schuilplaats in zijn huis verleend. Meer heb ik niet te verklaren.”

Na voorlezing en volharding teekent de getuige zijn verklaring (in concept)

Vervolgens hoorde ik verbalisant…..

Jenne Inke CLINGE DOORENBOSCH, geboren te Utrecht 1 Mei 1886, zonder beroep, wonende te Bussum, Nieuwe ’s Gravenlandscheweg 66, die desgevraagd verklaarde:

“Ik ken den heer Meijer, wonende Brinklaan 14 reeds van kind af. Hij was een patient van mijn vader, die hem langdurig behandeld heeft. Ik had op grond van zijn vrijmetselaarschap vertrouwen in hem. Ik wist nooit, dat hij lid van de N.S.B. was en hij heeft mij ook nooit uitingen in die zin gedaan. Ik werkte zelf illegaal en had veel noodig voor de door mij verzorgde onderduikers. Wanneer ik suiker, limonade etc noodig had – en dit gebeurde regelmatig – kreeg ik dit van den heer Meijer. Hoewel wij er nooit over spraken, waarvoor ik dit noodig had -, moet Meijer dit zeker geweten hebben. Hij maakte echter nooit een aanmerking. Een speldje van de N.S.B. heb ik hem nooit zien drage. Voor het eerst hoorde ik van zijn lidmaatschap van de N.S.B.  toen hij reeds gearresteerd was. Een broer van mij –die achterlijk is, maar toch voor uitzending naar Duitschland in aanmerking zou zijn gekomen – heeft hij geholpen, door hem op zijn fabriek aan te stellen. Ik begrijp nog niet, dat Meijer lid is geweest. In ieder geval, wanneer hij een overtuigde of fanatieke N.S.Ber was had hij, wetende of althans vermoedende dat ik illegaal werk deed, mij kunnen aanbrengen en zoodoende bij de N.S.B. en/of de Duitse instanties een goede beurt kunnen maken. Meer heb ik niet te verklaren.”Na voorlezing en volharding teekent getuige haar verklaring in concept

Vervolgens hoorde ik verbalisant …..

Jan BRUIN, OUD 69 jaar, chef rechtsherstel en beheer, wonende te Bussum, BurgemeesterUs Jabobslaan 33, die desgevraagd verklaarde:

“Ik ken de door u genoemde Meijer, wonende Brinklaan 14 sinds 1933 en had omgang met hem door de Loge der Vrijmetselaren, waarvan we beiden lid waren. Ik heb hem gekend als een betrouwbare kerel zonder politieke aspiraties. Het was een doodgoeie knul. Volgens mij is hij zuiver uit nood bij de N.S.B. gegaan. Toen ik dit in 1943 bemerkte heb ik de omgang met hem verbroken. Ik zag hem nadien nog wel, doch een speldje (in kantlijn invulling: van de N.S. B.) heb ik hem nooit zien dragen. Meer heb ik niet te verklaren.”

Na voorlezing en volharding teekent de getuige in concept

Vervolgens hoorde ik verbalisant…

Willem Johannes JAARSVELD, oud 55 jaar, accountant, wonende te Bussum Mecklenburglaan 39, thans gedetineerd, in bewaringskamp Crailoo te Laren N-H, die desgevraagd verklaarde:

“Ik ken de door U genoemde Meijer, wonende te Brinklaan 14 uit hoofde van zijn functie als groepsadministrateur. Zoodoende, doordat hij op mijn contributielijsten voor voor (sic) kwam, wist ik dat hij lid van de N.S.B. was. Dit was hij – naar mijn meening – tot eind 1942, toen hij bedankte. Hij was een passief lid, die nooit ergens aan mee deed. Vergaderingen bezocht hij niet en reclame maken van de N.S.B., in welke vorm ook, deed hij niet. Zijn geheele activiteit bestond uit contributie betalen. Meer heb ik niet te verklaren.

Na voorlezing en volharding teekent de getuige zijn verklaring (handtekening)

Verdachte

Verdachte

Naar aanleiding hiervan hoorde ik verbalisant op Donderdag 3 januari 1946, den verdachte…

Aldert MEIJER, geboren te Bussum 23 september 1894, limonadefabrikant, wonende te Bussum Brinklaan 14, thans gedetineerd in bewaringskamp Crailoo te Laren N-H, die desgevraagd verklaarde:

“Ik ben van Nederlandsche nationaliteit. Uit idialistische overwegingen sloot in mij in 1937 bij de N.S.B. aan. Toen in 1939 Quisling in Noorwegen zijn verradersrol ging spelen, gingen mijn oogen open en bedankte ik mij – mondeling – bij den penningmeester Moosdorf, welke inmiddels overleden is en die gewoond heeft Verlengde Oud-Bussumerweg te Bussum onder betaling van mijn contributie over het jaar 1939. Ik rekende mij dus niet meer als lid. Eenige weken nadat de Duitschers ons land hadden overvallen kwam dezelfde penningmeester te mijne huize en deelde mijn vrouw mede dat mijn opzegging niet van kracht was geweest. Ik heb toen de zaak licht opgevat en mede door mijn drukke werkzaamheden – ik heb een limonadefabriek, azijnmakerij en het hoofdagentschap van de Heinikenbrouwerij (sic) – kwam ik er pas in 1943 toe schriftelijk te bedanken. Direct na de Duitsch (sic) inval ben ik illegaal gaan werken. Ik verborg Joodsche goederen, bemiddelde bij de vrijlating van een weduwe die in handen van de Gestapo gevallen was. Dit gelukte mij ook na herhaalde bezoeken een de Euterpestraat te Amsterdam, hetgeen voor mijn gevaarlijk was, daar ik verdacht was van Jodenhulp. Ik heb dan ook, vlak daarop, des avonds een huiszoeking gehad en een week daarna weer. Ik had in mijn fabriek te Weesp ook onderduikers aan het werk. In Weesp stelde ik mijn paard en wagen beschikbaar voor de stakende spoorwegmannen en verstrekte hun met de feestdagen wijn en limonade. In Weesp dwongen de Duitschers mij, met paard en wagen voor hun te rijden, doch ik saboteerde zodanig, dat de chef van de politie Vos mijn waarschuwde dat ik te ver ging. Ik ben reeds 23 jaar lid van de gemengde orde der vrijmetselaren-  Le Droit Humain -, loge Hermes te Bussum.

Na 1943 heb ik nooit meer contributie betaald. Een speldje van de N.S.B. en/of andere fascistische organisaties heb ik nooit gedragen. Mijn dagblad was de Telegraaf. In het begin kocht ik nog wel eens Volk en Vaderland. Waar mijn bescheiden van de N.S.B. zijn, weet ik niet meer. Vrijstelling van radioinlevering heb ik niet gehad. Hoe ik op die vrijstellingslijst van de aan de gemeente Bussum opgelegde boete kom, snap ik niet. Ik heb nooit profijt van mijn lidmaatschap van de N.S.B. getrokken. Propaganda in welke vorm ook, heb ik nimmer gemaakt. De door U aan mij getoonde bescheiden van de N.S.B. zijn mij onbekend. (in verband hiermee toon ik de verdachte een drietal karthoteekkaarten van de N.S.B., welke door mij als bijlage I-2 en 3 bij de P.V. worden gevoegd.)

Hoeveel contributie ik betaalde, kan ik mijn niet meer herinneren. Meer heb ik niet te verklaren.”

Na voorlezing en volharding teekent verdachte zijn verklaring. (handtekening)

Ik verbalisant verklaar, dat verdachte voorkomt bij de afdeeling Documentatie van onzen dienst, (kantlijn: Documentatie)

I o Op lijst 1, zijnde een lijst welke door de Kringleider der N.S. B. in de maand Juni 1942 ter beschikking is gesteld van het Gemeentebestuur van Bussum, in verband met de vrijstelling van een door de bezettende macht opgelegde boete.

2 o Op lijst 2, groep 3, zijnde een ledenlijst vanaf Maart 1942, in beslag genomen ten huize van Krap, Comeniuslaan 13a te Bussum.

 3 o In de speciaalmap, waarin de afrekenstaen van geinde contributie over Januari-Juni 1943 onder groep 237.

(kantlijn: mening verbalisant)

Ik verbalisant verklaar, dat mijn indruk omtrent verdachte dusdanig is, dat genoemde een slappeling en makkelijk te bepraten object is. Uit informaties blijkt mij, dat verdachte ernstig gepoogd heeft zijn gedane fout te herstellen. Van verdachte is, mits hij onder toezicht blijft inzake zijn politieke gedragingen, zeker iets te maken.

Als bijlage bij dit Proces-verbaal voeg ik

1 o Een drietal karthoteekkaarten van de N.S.B. door mij met rood potlood gemerkt I-2 en 3

(kantlijn: Bijlagen)


Weled. Heer,

Zaterdag 6 Juli Jl bracht de Heer Vos van de P.R.A te Bussum U mijn dossier. 

De Heer (Vos) die mij veel medewerking verleende deelde mij mede dat ik een zeer goede kans maak geheel buiten vervolging te worden gesteld. 22 Juli was ik bij den Weledgestr. Heer Officier fiscaal en sprak daar den heer Molenaar.

ZEd. Beloofde mij omgaand mijn dossier bij U op te vragen, wat ook inderdaad is gebeurd. Maardag Jl was ik bij Uw bureau en vernam daar van een der dames dat mijn dossier nog steeds bij U berust en is mijn vriendelijk verzoek of U dit nu zoo spoedig mogelijk naar den Heer (M.J, of JJ?) fiscaal zoudt willen doorzenden.

De kwestie is n.l. de volgende:

Toen ik half April werd vrijgelaten ging ik natuurlijk direct naar mijn fabriek, die ik na jarenlang eerlijk en hard werken met groote zorg en financiele offers heb opgebouwd tot een flinke zaak. Het bleek mij dat de aanvankelijk door het Beheers Instituut aangestelde beheerder onbekwaam was geweest en diverse dingen had gedaan die niet door de beugel konden.

De tweede en huidige beheerder is thans bezig de zaak op zijn naam te krijgen en heeft hij al diverse machines weggevoerd, waartegen ik, daar ik nog gebonden ben niet kan doen en moet ik lijdelijk aanzien dat mij alle kans om in de toekomst voor mijn vrouw en kinderen het brood te verdienen, wordt ontnomen.

Verschillende instanties, de Heer Jalink van het Beheers Inst., mevrouw (onleesbaar: Nijsterg?) van het Bureau voor toezicht op pol delinquenten en verschillende vrienden willen mij helpen de zaak weer terug te krijgen althans te redden wat nog te redden valt. Alles wacht echter zoals gezegd op mijn dossier en zou ik Uwe vriendelijke hulp willen inroepen, en mij te helpen en het dossier spoedig te willen doorzenden. Bij voorbaat dank ik U voor de te nemen moeite en verblijf

Hoogachtend, Meijer, Brinklaan 14 Bussum

 

Project X Haren: het ware verhaal. ‘Hoe Frank Project X ontketende.’

Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , ,

ghw11cohen-met-project-x-haren

Job Cohen presenteert zijn rapport over Project X Haren. Foto: Marco in ‘t Veldt

Dit verhaal werd op 21 september 2013 gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden, precies een jaar na Project X Haren. Diane Romashuk en ik werkten er een jaar aan om te achterhalen wie de verantwoordelijken waren. Wie verschool zich achter de valse Facebookaccounts die Project X Haren maakten?

Het bleek geen genie, zoals wel werd gedacht, maar een gewone 17-jarige jongen, Frank uit Veendam. Doordat hij ‘online leefde’ konden we – met heel veel speurwerk – het hele verhaal reconstrueren. Een complete reconstructie met screenshots verscheen op de website van het Harener Weekblad, en staat daar nog, zij het zwaar verminkt. 

Ons artikel in het Dagblad is op onze reconstructie gebaseerd, maar bevat enkele fouten doordat de eindredactie het verkeerd begreep.  Zo heeft Frank nooit een bekentenis tegenover Cohen afgelegd, en zijn verhaal is nooit gepubliceerd, tot wij dat deden.

Hoe Frank Project X ontketende.

De Facebookpagina Project X Haren is gemaakt door de 18-jarige Groninger mbo-scholier Frank. Een jaar nadat het gekaapte feestje  van de 16-jarige Merthe uitliep op massale rellen, vertelt hij hoe hij te werk ging: “Die rellen vind ik wel jammer, maar ik heb geen spijt.”

Door Diane Romashuk en Marco in ‘t Veldt

Groningen. Het spel is uit. Frank weet het, als hij in 2013 in een café in Zwolle zit te wachten. De commissie-Cohen die de Facebookrellen in Haren onderzoekt, heeft ontdekt dat hij Project X Haren ontketende. Zonder Franks Facebookpagina Project X Haren waren nooit 200.000 mensen uitgenodigd om naar het Groninger villadorp te komen.

Zo meteen wordt hij ondervraagd. En dan krijgt hij vast een dikke boete vreest hij, zoals een Duitse student in 2011 er een van twee ton kreeg voor zijn soortgelijke rol in een Facebookfeestje. Daar was hij vanaf het begin al bang voor. Daarom had hij zich verscholen achter een valse naam op Facebook en een plan bedacht. Tevergeefs.

Dan ziet de tiener de voorzitter  binnenkomen. Oud PVDA politicus Job Cohen schudt hem gewoon de hand. Om het ijs te breken begint hij eerst met Frank over heel andere dingen te praten, zoals school. Wow, dit valt mee, denkt Frank. Eigenlijk ook wel een unieke ervaring, ‘even thee drinken met Job.’ En het is best wel een chille dude.

Frank is een 18-jarige jongen uit Veendam. Hij volgt een multi-mediaopleiding aan het Alfa College in Groningen, hij sport veel, houdt van muziek en films en is fervent gamer. Veel van zijn tijd  brengt hij door op internet. Hij zit dagelijks te chatten  op een forum van spelletjeswebsite InsideGamer. Net als andere gamers daar, doet hij dat met een nickname. Hij noemt zich daar Heester. Van elkaar weten ze wie wie is. Samen vormen ze een hechte groep van zo’n dertig jongeren die elkaar regelmatig in het echt ontmoeten. Op dit forum raakt Frank op de avond van 7 september verzeild in Project X.

Een dag eerder kondigde Merthe  uit Haren haar sweetsixteenparty aan op Facebook. Als er meer dan 3500 jongeren naar haar feestje dreigen te komen, verwijdert ze haar Facebookevent snel. Ze heeft alleen pech:  grappenmakers maken nieuwe Facebookpagina’s aan en zetten daar Merthes naam en adres bij. Eén daarvan wordt Frank.

Het feestje wordt gespreksonderwerp in het forum als Frank de uitnodiging die hij kreeg, doorstuurt aan de andere gamers. “Dafuq, er gaan al 973 mensen,’ reageert één van hen. Project X wordt hier herbeleefd,’ legt Frank uit. Hij refereert aan de Amerikaanse succesfilm Project X , waarin een jongen honderden bezoekers op zijn feest krijgt, wat op een complete chaos uitloopt.

Dan lijkt er een abrupt eind aan de pret te komen. ‘Flauw zeg, ze hebben de pagina verwijderd,’ meldt Frank. Eén van de chatters bedenkt een oplossing: maak er zelf een aan naar haar adres. Om 21.28 uur post Frank een link naar zijn Facebookevent met de tekst: “Hier, heb gewoon een nieuwe aangemaakt. Nodig al je vrienden maar uit’  Project X Haren is geboren.

Frank maakt Project X Haren en deelt de link op InsideGamer: ‘Heb gewoon een nieuwe aangemaakt’

(Pagina 3. Tussenkop: het brein Frank: ‘Ik heb nergens spijt van. ‘

In het begin waren er verschillende Facebookpagina’s , maar na een tijdje verdwenen de meesten. De eigenaren waren door Merthe’s  vader gebeld met het verzoek ze te verwijderen,’ vertelt Frank nu over waarom hij de pagina maakte.

Frank maakt eerst nog met twee online vrienden aan andere event aan, Project X Groningen, onder zijn echte naam. Deze werd snel verwijderd en hij maakt Project X Haren onder een valse naam.

“Ik had geen zin in media-aandacht of problemen met justitie, maar een Facebookpagina was gewoon nodig om het door te laten gaan. Iedereen kwam  daar naartoe om te plannen en te motiveren. Dus iemand moest het gewoon slim aanpakken.”

Dat deed Frank, in eerste instantie door de pagina te beheren onder een valse Facebookaccount: Peter Peterson genaamd.

Vanaf dan groeit Project X Haren als kool,  doordat de andere pagina’s uit de lucht gaan, door de kracht van de sociale media, doordat de media het oppikken en doordat er overal reclame voor wordt gemaakt.  Onder zijn echte naam promoot Frank het feestje fanatiek via sociale media. Dezelfde avond nog stuurt hij een mailtje naar rapper Kraantje Pappie en nodigt hem uit. Meerdere klasgenoten van  hem zijn actief met het maken van grappige fotomontages en filmpjes van Merthe, burgemeester Rob Bats en Hitler.

Burgemeester Rob Bats als knipmasker.

Burgemeester Rob Bats als knipmasker.

Er zit Frank nog één ding dwars. Volgens hem zijn er te veel mensen die weten dat Peter Peterson van hem is. Om zijn naam van Project X af te krijgen, zet hij na enkele dagen een oproep op het anonieme en Engelstalige chatforum 4Chan. Wie uit het buitenland wil tot 21 september  Project X Haren beheren?  Er reageren twee Facebookers. Frank: ‘Jesse Hobson en Ibe derFuhrer zeiden dat zij het goed vonden. Ik droeg het aan hen over en heb mijn Peterson-account verwijderd.”

Jesse Hobson op zijn Facebook

Jesse Hobson op zijn Facebook

Jesse Hobson zit letterlijk aan de andere kant van de wereld, wie kan hem stoppen? “Ik had wel zin in een feestje,”vertelt Hobson later. Hij trekt alle aandacht. Als Merthe hem vraagt te stoppen weigert hij op Project X Haren in het Fins. Frank vertaalt het: ‘U kunt shit eten.’

Screenshot Project X Haren met Jesse's afwijzing in het Fins

Screenshot Project X Haren met Jesse’s afwijzing in het Fins

Wie Ibe derFuhrer is, zegt Frank niet te weten. “Hij zei in een mix van Engels en Duits alleen dat hij het wel wilde doen. Ik had er liever ook twee, als dan een afhaakte kon de ander nog door.’

Screenshot van de beheerder van Project X Haren, die zich Ibe derFuhrer noemt

Screenshot van de beheerder van Project X Haren, die zich Ibe derFuhrer noemt

Die Ibe is een onfris type, een ‘troll’ zoals dit soort plaaggeesten op internet wordt genoemd. Hij gebruikt een foto van Hitler als pasfoto en plaatst na de rellen een boodschap ‘I will rape everything you love.’ De Facebookpagina van Project X  Haren verdween enkele uren nadat Frank door de commissie  werd ondervraagd, waardoor je zou kunnen denken dat Frank zich ook achter dit account verschuilt. Frank ontkent dit: ‘Ik weet niet wie het is.’

Op 21 september gaat Frank met een vriend per trein naar Haren om bij Project X Haren te zijn. Hij staat een tijdje aan de noordkant van de straat  van Merthe bij een bus van Simone FM die muziek verzorgt,  terwijl Haren volstroomt met duizenden jongeren. Pas later gaat Frank naar de zuidkant waar hij ziet dat er rellen zijn. ‘Een bijna-doodervaring,’ en ‘bijna een baksteen gekopt,’ schrijft hij er later over op het forum van Insidegamer. Hij heeft ook nog geholpen een ME-busje los te duwen toen dat vastzat.

Rond één uur stapt Frank vanuit Haren weer op de trein en overnacht bij een vriend. Daar chat hij weer volop met zijn Insidegamers. Iedereen lijkt dan al vergeten dat ‘hun’ Frank Project X Haren maakte. Wel verwijten sommigen hem dat hij bij de rellen was. Frank antwoordt  dat het waar hij was heel gezellig was; ‘Het was een geweldige nacht zoals je alleen in films ziet. Dit maak je aar één keer in je leven mee en dat wou ik voor geen goud missen.’ Sommige gamers worden kwaad: waarom doet hij alsof er niets aan de hand was? Waarom vergoelijkt hij de gebeurtenissen in Haren?

Later in Zwolle vertelt Frank niet het hele verhaal aan Cohen. Tegenover Cohen houdt hij vol dat Ibe en Jesse juist bij hem aanklopten, en hij geen idee had hoe ze bij hem terecht kwamen. In het rapport van Cohen dat in maart verschijnt, wordt Franks naam geheim gehouden. Op Insidegamer vertelt hij  in april hetzelfde gecensureerde verhaal nog eens. Uiteindelijk bekent hij aan ons dat hij wel degelijk de mastermind was dat het onmogelijk maakte om Project X Haren te stoppen.

Heester bekent

Na onze telefoontjes naar InsideGamers bekent Frank gedeeltelijk tegen zijn vrienden. Hij vertelt ook over Cohen. Zijn ouders weten dan nog van niets, schrijft hij.

Frank heeft geen spijt: ‘Ik had vanaf het begin aan verwacht dat het druk zou worden in Haren, niet dat er rellen zouden komen. Ik vind die rellen wel jammer, maar ik heb geen spijt van wat ik heb gedaan. Misschien was het ook wel beter. Nu snappen mensen ook wat social media kunnen aanrichten. Dat noem ik geen nadeel voor de toekomst.’

Dat veel bewoners, ondernemers en de familie van Merthe in Haren nog last hebben van wat er gebeurde, trekt hij zich niet aan. “Die kopen in het weekend een Audi A6  en weg is het verdriet. Zulke mensen hebben niets te klagen.’ Het zit jou niet dwars?  ‘Het zou de relschoppers dwars moeten zitten. Ik heb slechts een plek gefaciliteerd waar mensen konden praten over het feest.’

Het kaartje voor Merthe met de namen van de InsideGamers. Bij Frank staat 'medeplichtig'

Het kaartje voor Merthe met de namen van de InsideGamers. Bij Frank staat ‘medeplichtig’

 

Kort na de rellen besluiten de chatters  een kaartje te sturen  met al hun namen  er op. ‘Sterkte Merthe’ zetten ze er boven. Omdat Frank in Haren was tijdens de rellen, schrijven de chatters ‘medeplichtig’ bij zijn naam. Zo gaat het kaartje op de bus naar Merthe.

 

Excuuskaartje aan Merthe door Koelebobes op 24 september Dagblad van het Noorden 21-0902013 Dagblad van het Noorden 21 - 09- 2013

Intiem. (Treinobservaties)

Tags

, , , , , ,

trein-

(Voor mijn krant Ons Haren schrijf ik regelmatig columns over actualiteit, of soms gewone observaties. Dit is een verhaal over mijn treinreis naar Den Haag.)

Intiem

Station Groningen. Vanuit de bovenste verdieping van de dubbeldekker naar Den Haag zie ik de mensen voorbij lopen. Ik reis niet vaak meer met de trein en krijg er haast een soort jeugdsentiment van.

De trein stroomt vol. Naast me gaat een ouder echtpaar zitten. In het blok tegenover ons nemen een opa en een kleindochter vrolijk pratend plaats. Dan komen er twee meisjes met grote rugzakken binnen. Studentes.

Ze gaan in het blok schuin tegenover me zitten en plaatsen de rugzakken op de banken naast zich. Ze giechelen. “Kijk! Die gaan zeker ook naar het kamp!” zegt de blonde, terwijl ze naar twee  meisjes op het perron wijst die met identieke rugzakken zeulen. “Zullen we ze roepen?” Na enig beraad besluiten de meisjes dat niet te doen.

Zachtjes glijdt de trein het station uit. Haren zoeft voorbij, en dan de eindeloze steriele grasvelden. Het lijkt wel kunstgras. Met hier en daar een plastic koe als enige teken van leven.

Af te toe kan ik een glimp van de twee studentes zien, net om de hoek van de bank of een spiegeling in het raam. De brunette begint te vertellen over afgelopen nacht. ‘De Kroeg.’ Leuke jongen, laat. Dan richt ze haar aandacht op haar blonde vriendin en vraagt: “En hoe gaat het nou tussen jou en Rutger? Alleen geslapen vannacht?”

Dat blijkt niet het geval. Als de beschrijving klopt heeft Rutger afgelopen nacht bijna geen oog dicht gedaan. Wel drie keer moest hij. Alles wordt in geuren en kleuren verteld.

Het echtpaar naast me kijkt ongemakkelijk om zich heen. Kleurt ook enigszins. Opa en het meisje praten ondertussen gezellig door. De twee lijken ondanks het grote leeftijdsverschil op hartsvriendinnen. Het meisje is erg belangstellend:

“En toen oma zo oud was als ik, speelden jullie toen ook al met elkaar?”

“Nee, we kend’n elkaar wel. We zat’n bie elkaar in klas. Maar jongens durfd’n toen niet zo goed met de meisjes te praat’n. Dan werd je er mee gepest. En meisjes deed’n heel andere spelletje, touwtje spring’n en zo. Wij deed’n natuurlijk heel stoére spelletjes.”

Het meisje knikt begrijpend, maar wil er alles van weten. Wat is touwtje springen? En mis je oma?

Eén van de studentes gaat staan om haar jas op te hangen. Als ze weer zit vervolgt ze haar verhaal over Rutger. Hij blijkt erg groot geschapen, heeft een grote sproet op zijn…, maar is nogal onhandig. Ook zijn uithoudingsvermogen laat te wensen over. We horen alle details. De oudere man naast me schuift ongemakkelijk en doet alsof hij een krant leest.

“Dat komt omdat je niet goed uitplast,” zegt een moeder bijna in mijn oor, terwijl ze haar jengelende zoontje voor zich uit duwt door het gangpad, richting WC.

“Nou die van mij, kreeg er anders geen genoeg van, vannacht,” licht de brunette ons in. “Hoe hij heet? Uhh…..”

Na lang nadenken krijgen we te horen dat hij Quinten heet. Althans, dat is het vermoeden. De alcohol, de harde muziek….. en het later vragen is ook zo gek.

“Zijn er eigenlijk helemaal geen rookcoupés meer?” Vraagt de oudere man naast me. Zijn vrouw begint om zich heen te kijken, of ze opschriften of pijltjes richting Rokers  ziet, maar de enige vindbare aanwijzing, is de tekst  S-T-I-L-T-E-C-O-U-P-E op het raam naast ons. “Zullen we eens kijken?” Weg loopt het oudere echtpaar.

‘Eigenlijk zou je dat gesprek moeten filmen voor later,’ denk ik, als ik naar het schattige meisje en haar opa kijk. Hun gesprek gaat alle kanten op, maar constant is de enorme aandacht en liefde in de blik waarmee ze naar elkaar kijken. Zeldzaam. Nu zag opa er nog gezond genoeg uit, maar ik weet inmiddels hoe snel dat kan gaan. En wat herinner je je dan later?

“Zeg, hoe zit dat eigenlijk tussen jou en die Rutger? Hoe vaak hebben jullie nu bij elkaar geslapen? Drie keer? Vier keer? Ben je verliefd?”

Een lichte schok gaat door de blonde studente. “Nou dat weet ik niet… “ Ze buigt voorover naar haar vriendin en begint haast te fluisteren.

“Hoezo niet?” vraagt de brunette.

“Nou, ik ben wel verliefd op hem, maar ik weet niet of hij…. Ik durf het hem niet goed te vragen…dat is nogal intiem, vind je niet?”

Station Den Haag. Ik pak mijn laptoptas en stap uit. Rechts het station uit, en dan meteen weer rechts. Doorlopen naar de tweede balie. Nationaal Archief. Er ligt een dossier op me te wachten. ‘Hallo opa,’ denkt ik, terwijl ik er zwijgend mee naar een studietafel loop. Had ik maar een filmpje van hem.

studiezaal__nationaal_archief_2013

Studiezaal Nationaal Archief. Bron: website Nationaal Archief. (binnen is fotograferen streng verboden)